Zoekresultaten voor: "bedrijfsarts"

Blikman, Derk

Achternaam
Blikman, J. D. Derk
Geslacht
Man
BIG-nummer
29048027501
Beroep
Arts
Specialisme
Arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde
Maatregel
Berisping 4 november 2019
De termijn om hoger beroep in te stellen bedraagt 6 weken.


Arts vervalste medisch dossier van klokkenluider Vliegbasis Eindhoven
bron: 4 november 2019 www.ad.nl

EINDHOVEN – Een arts van Vliegbasis Eindhoven is door het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg berispt, omdat hij het medisch dossier van oud-piloot en klokkenluider Victor van Wulfen had vervalst.

Van Wulfen trok acht jaar geleden aan de bel over diverse veiligheidsincidenten op de Eindhovense luchtmachtbasis. Hij was destijds piloot op een Hercules transportvliegtuig. Van Wulfen werd in 2015 in het gelijk gesteld, maar kreeg begin 2017 een vliegverbod opgelegd, waarna hij ontslag nam. Nog altijd voert de inwoner van Heeswijk-Dinther strijd tegen zijn voormalig werkgever en diverse oud-collega’s.

Onder anderen daagde Van Wulfen dit jaar voormalig onderdeelsarts Derk Blikman van de vliegbasis voor het tuchtcollege. Deze zou in 2009 het patiëntendossier van Van Wulfen hebben vervalst door daarin de diagnose op te nemen dat de piloot aan psychische stoornissen leed. Het tuchtcollege geeft Van Wulfen in zijn klacht gelijk en geeft de arts een officiële berisping hiervoor.  

Geen consult

De diagnose was in 2009 in het medisch dossier opgenomen, zonder dat er een consult tussen de klager en de arts had plaatsgevonden, constateert het tuchtcollege. De toevoeging van de voor een piloot van Defensie zwaar beladen diagnose was door de arts in het dossier opgenomen, puur op basis van uitlatingen van de toenmalige commandant van squadron 336.

Deze had vervolgens aan het personeel van de vliegbasis medegedeeld dat Van Wulfen -zonder dat hij er zelf bij aanwezig was- vrijwillig zou deelnemen aan een psychologisch of psychiatrisch traject, omdat hij ‘in een schijnwereld leefde’. Van dit alles was geen sprake, blijkt uit de uitspraak in de zaak van Van Wulfen versus Blikman.

Het tuchtcollege gaat niet mee in de klacht van de klokkenluider dat de arts zijn beroepsgeheim heeft geschonden, door het dossier te delen met de commandant. Volgens het college is dat niet bewezen.  Wel valt de arts aan te wrijven dat hij Van Wulfen in de kou heeft laten staan, door al zijn mails over de gang van zaken niet te beantwoorden. ‘Klager had recht op informatie’, stelt het tuchtcollege.

‘Hand boven het hoofd’

De voormalig luchtmachtpiloot reageert ‘opgelucht en tevreden’ op de uitspraak, maar gaat stug verder met zijn strijd. Volgens hem is hij nog altijd niet volledig gerehabiliteerd en wordt bovendien de veroorzakers van de door hem aangekaarte misstanden bij de luchtmacht door de militaire top ‘de hand boven het hoofd gehouden’.
——–

www.tuchtrecht.overheid.nl

ECLI:NL:TGZREIN:2019:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 18129 Bedrijfsarts, werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis, wordt verweten dat hij ten onrechte een consult onder de ziektecode “Overige psychische stoornissen, Andere psychische stoornissen” aan klagers medisch dossier heeft toegevoegd, zijn beroepsgeheim heeft geschonden en zich nimmer voor zijn doen en laten heeft verantwoord. Het college oordeelt dat de arts ten onrechte een diagnose heeft toegevoegd aan klagers medisch dossier. Er had geen consult tussen klager en de onderdeelsarts plaatsgevonden. De arts had de aantekening in het medisch dossier zo moeten formuleren dat het voor opvolgende zorgverleners duidelijk was dat de informatie niet afkomstig was van klager maar van de commandant. Dat de onderdeelsarts juist had gekozen voor deze ziektecode is bovendien verwijtbaar en heeft grote gevolgen gehad voor klager. Schending beroepsgeheim is niet komen vast te staan. De onderdeelsarts heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar e-mails van klager over zijn medisch dossier onbeantwoord gelaten. Klager had recht op informatie. Gedeeltelijk gegrond. Berisping. Datum uitspraak: 04-11-2019 Datum publicatie: 04-11-2019 ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2019:55


Uitspraak: 4 november 2019

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 7 augustus 2018 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti te Amsterdam

 

tegen:

 

[C]

bedrijfsarts

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

–         het klaagschrift;

–         de brieven van 16 en 22 augustus 2018 van de secretaris aan klager;

–         de brief van 23 augustus 2018 van klager aan de secretaris;

–         het verweerschrift;

–         de brieven van 5, 11 en 12 maart 2019 van klager aan de secretaris;

–         de pleitnota van klager, voorgedragen ter zitting van 25 maart 2019;

–         de pleitnota van de gemachtigde van verweerder, voorgedragen ter zitting van 25 maart 2019;

–         slotwoord van klager, voorgedragen ter zitting van 2 oktober 2019;

–         slotwoord van verweerder, voorgedragen ter zitting van 2 oktober 2019.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is op de openbare zittingen van 25 maart en 2 oktober 2019 behandeld. Ter zitting zijn op verzoek van klager de heer [E] en de heer [F] als getuigen gehoord. Partijen waren steeds aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is op 6 november 1997 in dienst getreden bij de [G] waar hij van 2000 tot medio 2006 werkzaam is geweest als F-16 piloot. In juli 2006 heeft klager de overstap gemaakt naar het onderdeel luchttransport op de vliegbasis. Klager is aangesteld als kapitein-vlieger op de C-130 Hercules, waarna hij de opleiding tot C-130 vlieger heeft gevolgd. Bij de oprichting van het squadron is klager overgegaan naar dit nieuw opgerichte squadron. Klager is vanaf zijn indiensttreding bij dit squadron tot december 2010 ingezet op de C-130 vluchten.

Verweerder was in 2009 werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis.

Op 16 november 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden in het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT). De commandant van het squadron (hierna: de commandant) heeft hierin aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde. Aansluitend aan het SMT heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen de commandant en verweerder. Verweerder heeft naar aanleiding van dit gesprek op 16 november 2009 in het Subjectief/Objectief/Evaluatie/Plan (SOEP) deel van het patiëntendossier van klager genoteerd (alle hiernavolgende citaten overgenomen inclusief taal- en spelfouten):

“/S: gesprek met c336 en in SMT, mag nu niet vliegen van C. leeft mogelijk in een aparte wereld wel incidenten geweest, gaat niet op uitzending, c heeft contact met [naam vliegerpsycholoog]”.

In het systeem is vervolgens door verweerder op 16 november 2009 de volgende diagnose ingevoerd:

“Cas P69 – ICPC P99 Diagnose(s) Overige psychische stoornissen. Andere psychische stoornissen.”

Op 16 november 2009 was klager in het buitenland.

Op 2 december 2009 heeft de commandant aan het personeel van het 336 squadron meegedeeld dat klager in overleg met verweerder vrijwillig deel zou nemen aan een psychologisch dan wel psychiatrisch traject omdat klager in een schijnwereld zou leven. Klager is hier later door collega’s telefonisch van op de hoogte gesteld.

Op 3 december 2009 vond een gesprek plaats tussen verweerder en klager. Verweerder was de mening toegedaan dat klager compos mentis (bij zijn verstand of bij volle bewustzijn, toevoeging college) leek waarna verweerder het volgende heeft genoteerd in klagers patiëntendossier:

“/S: dd 031209 uitgebreid gesproken, lijkt compos mentis, goed georiënteerd in trias, is door C336 aan de grond gezet, groot werkconflict, is daar zeer ontstemd over, voelt zich genaaid, is nu ballsitic aan het gaan met aangifte Kmar, advocaat, bond, enz, betrokkene geeft aan dat een enkele collega hem juist wel steunen, heeft ook regelmatig contact met [naam vliegerpsycholoog]

/O:

/E: wat is er voorgevallen, wordt patiënt wel door collega’s gesteund zoals patiënt beweerd?, overleg gehad met [naam] of patiënt compos mentis is,

/P: dnif(= duty not included flying, toevoeging college), retour SU 101209

Op 10 december 2009 noteerde verweerder in klagers patiëntendossier:

S/ 101209 weer gesproken met betrokken heeft vrijdag gesprek met CVB, is boos, zeer ontevreden

P/ DNIF as maandag evaluatie”

Verweerder is kort daarop vertrokken bij de vliegbasis.

Op 5 januari 2010 noteerde een andere onderdeelsarts in klagers patiëntendossier:

“/S: uitgebreid gesproken, buiten uitingen nav recente gebeurtenissen, geen aanw. voor psychische decompensatie of

/O:

/E:

/P: geen medisch argumenten voor VV(vliegverbod, toevoeging college), B: OVV (beëindigen van het vliegverbod, toevoeging college)

Klager heeft verweerder op 8 september 2010 een e-mail gestuurd waarin hij onder meer schreef:

“(…) Graag hoor ik van u welke van [H]. [naam commandant] beweringen u van de noodzaak tot het starten van een psychiatrisch traject hebben overgehaald, zodat ik ook thuis kan uitleggen wat het is geweest waardoor ik enige tijd als vermeend “psychiatrisch patiënt’ door het leven ben gegaan.

Ik kijk uit naar uw reactie op dit e-mailadres.

Bij voorbaat hartelijk dank,

Hoogachtend,

KAP [naam klager]” 

Op 26 juli 2011 heeft klager verweerder opnieuw een e-mail gestuurd:

“(…) Ruim tien maanden geleden schreef ik u onderstaande e-mail. Helaas heb ik geen antwoord mogen ontvangen. Gelet op in gang gezette trajecten bij IGK en COID, en in samenspraak met mijn vakbond een hierop aansluitend traject verzoek ik u opnieuw, vriendelijk doch dringend om mijn e-mail naar eer en geweten te beantwoorden.

Ik vertrouw op uw bereidheid om te reageren  en ik kijk uit naar uw antwoord.

Hoogachtend,

KAP [naam klager]”

De Inspectie Militaire Gezondheidszorg heeft op 22 maart 2012 een onderzoek gerapporteerd naar aanleiding van een melding van klager. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft op verzoek van de secretaris-generaal van Defensie, naar aanleiding van een melding van klager, een onderzoek ingesteld en op 5 februari 2015 een advies uitgebracht. Bij brief van 29 april 2015 schreef de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie aan de voorzitter van voornoemde Onderzoeksraad onder meer:

“(…) Uw onderzoek geeft mij een goed beeld van de gemelde misstanden en de wijze waarop met de melder is omgegaan door de organisatie en de impact die dit heeft gehad op het leven van kapitein [naam klager]. Van dit advies moet, en wil, Defensie leren. (…)”.

 

3. Het standpunt van klager en de klacht

Verweerder wordt verweten dat hij:

1.     het medisch dossier van klager heeft vervalst door het ten onrechte toevoegen van een consult op 16 november 2009 onder de ziektecode “Overige psychische stoornissen, Andere psychische stoornissen”;

2.     de inhoud van het onder 1. genoemde de consult heeft gedeeld met de toenmalig squadroncommandant waarmee valse informatie is verspreid en hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden;

3.     zich nimmer voor zijn doen en laten heeft verantwoord.

 

4. Het standpunt van verweerder

Ad 1. Verweerder stelt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen.

Op 16 november 2009 heeft de toenmalig commandant van klager in een overleg binnen het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT) aan verweerder aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde en hij naar zijn mening professionele hulp nodig had. Van dat gesprek heeft verweerder die dag een aantekening gemaakt in het medisch dossier van klager. Verweerder heeft dat middels de op dat moment gangbare wijze gedaan. Een handeling van verweerder in dat kader diende nu eenmaal onder een werkcode te worden weggeschreven en het was gebruikelijk om dat onder de benaming “consult” te doen, ook al had er geen (lijfelijk) consult plaatsgevonden. Er is geen (voorlopige) diagnose gesteld van overige psychische stoornissen, andere psychische stoornissen. Het gaat om een gebruikte werkcode en verweerder is bij die keuze afgegaan op hetgeen de commandant hem in het SMT heeft gemeld, waarbij verweerder van mening is dat de commandant hem woorden in de mond heeft gelegd en verweerder daarom voor die betreffende specificatie heeft gekozen.

Ad 2. Verweerder neemt geen verantwoordelijkheid voor wat betreft de publiekelijke uitlatingen van de commandant over klager. Verweerder ontkent en betwist dat hij enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld.

Ad 3. Verweerder is kort na de hele kwestie met klager vertrokken bij de vliegbasis en gestart met een voltijds management opleiding die veel tijd en energie kostte. Om die reden en omdat hij niet meer de dienstdoende arts was en geen toegang meer had tot klagers patiëntendossier heeft verweerder niet geantwoord op die e-mails. Verweerder ziet in dat hij fatsoenshalve beter wel had kunnen reageren op de e-mails van klager. Verweerder geeft aan dat dit een leermoment voor hem is geweest, hetgeen hij ter harte neemt.

 

5. De overwegingen van het college

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.

Klachtonderdeel 1

Artsen hebben de wettelijke plicht om een medisch dossier bij te houden met betrekking tot de behandeling of begeleiding van een patiënt. Een zorgvuldig bijgehouden medisch dossier is van belang voor de kwaliteit en de continuïteit van de zorg aan de patiënt. Het doel van het medisch dossier is het leveren van een goede hulpverlening aan de patiënt. De arts en andere (opvolgende) zorgverleners die bij de behandeling betrokken zijn of raken, moeten uit het medisch dossier kunnen begrijpen wat de medische situatie van de patiënt is (geweest). In het medisch dossier worden gegevens opgenomen omtrent de gezondheid van de patiënt en de verrichtingen die bij de patiënt zijn uitgevoerd.

Het college is van oordeel dat de wijze waarop verweerder op 16 november 2009 verslag heeft gedaan in het medisch dossier van klager van hetgeen hem ter ore is gekomen dan wel wat tussen verweerder en de commandant over klager is besproken, de toets der kritiek niet kan doorstaan. Het verweer treft geen doel. Wat een arts noteert in het dossier moet feitelijk juist en helder zijn en niet voor meerdere interpretaties vatbaar. Nu er op 16 november 2009 geen consult had plaatsgevonden met klager, had verweerder dit niet mogen opschrijven op de wijze zoals hierboven onder de feiten is weergegeven. Verweerder had de aantekening zo moeten formuleren dat het voor opvolgende zorgverleners duidelijk was dat de informatie niet afkomstig was van klager maar dat de informatie aan verweerder was toevertrouwd door de commandant.

Nu verweerder klager zelf niet heeft gezien en daarom ook geen diagnose heeft gesteld, is het  onbegrijpelijk dat verweerder juist deze diagnosecode in het medisch dossier heeft genoteerd. Dat verweerder kennelijk een diagnosecode diende in te vullen, omdat het anders niet mogelijk was het programma af te sluiten, doet er niet aan af dat verweerder had kunnen – en naar het oordeel van het college ook had moeten – kiezen voor een andere diagnosecode. Wat er ook zij van software achter een elektronisch patiëntendossier en/of een gangbare werkwijze bij de geneeskundige dienst, het had op de weg van verweerder gelegen om te kiezen voor een andere, meer duidelijke wijze van verslaglegging.

Het valt verweerder te verwijten dat hij van alle te selecteren codes nu juist heeft gekozen  voor de diagnose code voor psychische stoornissen. Dit heeft grote gevolgen gehad voor klager, hetgeen ook voor verweerder voorzienbaar was. Verweerder is immers als onderdeelsarts op een vliegbasis op de hoogte, althans dat zou hij moeten zijn, welke consequenties de diagnose “psychische aandoening” voor een vlieger bij het ministerie van Defensie kan hebben.

De conclusie is dat dan ook dat deze wijze van verslaglegging voor andere (opvolgende) zorgverleners verschillend te interpreteren is, bij voorbeeld als ware klager gediagnosticeerd met (een) psychische stoornis(sen).

Dit klachtonderdeel is gegrond.

Het college merkt daarbij echter op dat niet gebleken is van vervalsing in de zin van kwaadwillendheid of opzet aan de zijde van verweerder, zoals klager stelt.

 

 

Klachtonderdeel 2

Naar het oordeel van het college is niet komen vast te staan dat verweerder enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld. Evenmin is komen vast te staan dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Wat er ook zij van de uitlatingen van de commandant over klager, dit kan niet aan verweerder worden toegerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Het college leest en begrijpt het derde klachtonderdeel zo dat dit met name ziet op het door verweerder onbeantwoord laten van de e-mails van klager. Klager is als patiënt van verweerder onder meer geconfronteerd met een ten onrechte in zijn medische dossier opgenomen diagnose met voor klager – als vlieger bij Defensie – zeer vergaande gevolgen. Deze informatie is door verweerder, zijn (voormalig) onderdeelsarts op de vliegbasis, aan zijn medisch dossier toegevoegd. Verweerder heeft klager hier niet over geïnformeerd nadat klager was teruggekomen van zijn verblijf in het buitenland, tijdens welk verblijf de diagnose in het medisch dossier is beland. Klager heeft hierover herhaaldelijk per e-mail contact met verweerder gezocht, die simpelweg niets van zich heeft laten horen. Naar het oordeel van het college heeft een patiënt recht op informatie van zijn arts als er iets niet goed is gegaan. Open en goede communicatie met een patiënt naar aanleiding van een incident is essentieel voor het wederzijds vertrouwen en het vertrouwen in de gezondheidszorg. Verweerder heeft door klager te negeren zijn patiënt, in wiens medisch dossier vanaf 16 november 2009 tot maart 2015 onterecht een onjuiste diagnose heeft gestaan, in de kou laten staan. De stellingname dat verweerder (later) niet meer beschikte over klagers dossier doet hieraan niet af. Immers dan had het op verweerders weg gelegen om in ieder geval dat aan klager mee te delen en moeite te doen – met behulp van klagers toestemming – het dossier bij zijn opvolger op te vragen zodat hij klagers vragen alsnog kon beantwoorden. Dit klachtonderdeel is gegrond.

 

De maatregel

De klachtonderdelen 1 en 3 zijn gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van het college ten onrechte een diagnose toegevoegd aan het medisch dossier van klager. Bij het opleggen van de maatregel acht het college van gewicht dat uit de dossiervoering niet duidelijk en met zekerheid kan worden opgemaakt op basis van welke informatie en welke (eigen) onderzoeksbevindingen verweerder tot welke overwegingen en conclusies is gekomen. Het college neemt daarbij ook mee dat een arts, na een fout of een (communicatie)probleem, zijn patiënt niet mag negeren als hij om toelichting vraagt. Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het college dat aan verweerder de maatregel van berisping wordt opgelegd.

 

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing op grond van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

 

6. De beslissing

Het college:

–         verklaart de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond, zoals in de rechtsoverwegingen omschreven;

–         legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

–         verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

–         bepaalt dat deze beslissing, nadat zij onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

 

Aldus beslist door J. Iding als voorzitter, H.A.W. Vermeulen als lid-jurist, P.E. Rodenburg, R.P.J. Ansem en C.M.F. van Roessel als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaaruitgesproken door C.D.M. Lamers op

4 november 2019 in aanwezigheid van de secretaris.

 

Bos, J.H.L.W.

Naam
Bos, J.H.L.W. Johan Henri Louis Willebrord
Geslacht
Man
BIG-nummer
99020174501
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Arbeid en gezond – bedrijfsgeneeskunde
Plaats

Deurne
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 24 januari 2017 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.
—————–
tuchtrecht.overheid.nl : berisping bedrijfsarts

—————–

 Berisping bedrijfsarts uit Deurne
DEURNE – Bedrijfsarts J. Bos uit Deurne is berispt wegens afgifte van een onjuiste verklaring. De maatregel is opgenomen in het beroepsregister van werkers in de gezondheidszorg (BIG).

De maatregel betekent dat Bos verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij daarvoor wordt terechtgewezen. Wel blijft hij volledig bevoegd om het beroep van bedrijfsarts uit te oefenen. Wat de arts precies wordt verweten wordt niet openbaar gemaakt. De maatregel is openbaar gemaakt in advertenties en in een vermelding op de website bigregister.nl.

De maatregel is opgelegd door het CIBG, een onderdeel van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat het BIG-register beheert.

Kruijk, M.P.C.W.

Naam
M.P.C.W. Kruijk Michael Petrus Carolus Wilhelmus
Geslacht
Man
BIG-nummer
49026122101
Beroepsgroep
Artsen
Plaats

Amersfoort
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 14 januari 2015 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 12 januari 2017 voorwaardelijk geschorst voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.
De proeftijd is ingegaan op 12 januari 2017 en loopt tot en met 11 januari 2019.
De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
Deze zorgverlener mag zich voor het eind van de proeftijd van twee jaar niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg.
De maatregel is opgelegd vanwege: verstrekking van onvoldoende informatie.
—————-

arts deed zich voor als bedrijfsarts
ECLI:NL:TGZCTG:2017:34 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.177
De klacht is gericht tegen een arts. Klaagster verwijt de arts kort gezegd (1) dat hij zich heeft voorgedaan als bedrijfsarts, (2) dat hij zijn bevoegdheden heeft overschreden, (3) dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door onder onderbouwing aan te geven dat klaagster zonder partner op het spreekuur diende te verschijnen en (4) dat het oordeel van de arts dat klaagster weer arbeidsongeschikt was op onzorgvuldige wijze is totstandgekomen. Het Regionaal College heeft de klacht geheel gegrond verklaard en de arts de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden opgelegd.Beroep arts slaagt voor over het de gegrondverklaring van klachtonderdeel (4) en de opgelegde maatregel betreft.

Het Centraal Tuchtcollege legt de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van een maand op. Datum uitspraak: 12-01-2017 Datum publicatie: 12-01-2017 ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2017:34
http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/gezondheidszorg/uitspraak/2017/ECLI_NL_TGZCTG_2017_34

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.177 van:

A., arts, werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar,

tegen

C., wonend te D., verweerster, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigden: mr. L. Lok en J. Lok.

1.        Verloop van de procedure

C. – hierna: klaagster – heeft bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. – hierna: de arts – een klacht ingediend. De klacht is door het College te Zwolle doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam en daar op 23 juni 2015 ontvangen. Bij beslissing van 12 januari 2016, onder nummer 15/172 heeft dat College de klacht in al haar onderdelen gegrond verklaard en aan de arts de maatregel opgelegd van voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden.

De arts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2016, waar klaagster en de arts, beiden bijgestaan door hun gemachtigde, zijn verschenen.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“2.De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Klaagster is op 1 december 1997 in dienst getreden van E. (hierna: de werkgever). Op 25 augustus 2014 heeft klaagster zich volledig arbeidsongeschikt gemeld. Zij was op dat moment assistent filiaalleider. Via re-integratiebedrijf F. heeft de werkgever de G. ingeschakeld als (gecertificeerde) arbodienst. Verweerder is als arts, niet zijnde geregistreerd bedrijfsarts, in dienst bij de G..

2.2.      Op 27 augustus 2014 is klaagster in eerste instantie gezien door H., geregistreerd bedrijfsarts van de G.. De begeleiding van klaagster is daarna overgenomen door verweerder. Na twee eerdere spreekuurcontacten op

24 september en 23 oktober 2014, heeft op 20 november 2014 een spreekuurcontact plaatsgevonden naar aanleiding waarvan verweerder een Probleemanalyse WIA heeft opgesteld. In deze probleemanalyse beschrijft verweerder dat de mentale en emotionele belastbaarheid van klaagster is verminderd en dat sprake is van energetische beperkingen. Verweerder concludeert dat klaagster arbeidsongeschikt is voor haar werk als filiaalleider door ziekte en dat zij nog niet in staat is tot het oppakken van werkzaamheden. Verweerder geeft verder aan dat de prognose goed is en dat over vier weken kan worden geëvalueerd of klaagster een start kan maken met het oppakken van haar werkzaamheden. Volgens verweerder bestaan er geen medische beperkingen ten aanzien van het aangaan van een gesprek met de werkgever.

2.3.      Op 6 december 2014 heeft de behandelend psycholoog van klaagster de werkgever een brief gestuurd waarin zij de werkgever laat weten dat de klachten van klaagster een persoonlijk gesprek met de werkgever in de optiek van de psycholoog (nog) niet toestaan: de behandelend psycholoog verzoekt de werkgever van klaagster haar daarom nog enig respijt te gunnen en het geplande gesprek een aantal weken uit te stellen. Klaagster heeft deze brief (alsmede de daaraan voorafgaande correspondentie tussen haar en de werkgever inzake het geplande gesprek d.d.

11 december 2014) op 9 december 2014 in kopie aan verweerder gestuurd. Omdat de werkgever niet bereid was van een gesprek af te zien, heeft het geplande gesprek gewoon doorgang gevonden.

2.4.      Op 12 december 2014 heeft verweerder klaagster per mail bericht dat hij de brief van de behandelend psycholoog aan de werkgever d.d. 6 december 2014 niet toereikend vond en verder nog geen informatie had ontvangen. In dit bericht schreef verweerder verder: ‘Tevens wil ik dat u woensdag 17-12-2014 [verschrijving verweerder, moet zijn 18-12-2014, toev. college] alleen op het spreekuur komt, zonder begeleiding’.

2.5.      Op 18 december 2014 is klaagster met haar partner op het spreekuur verschenen. Omdat verweerder klaagster uitsluitend alleen wilde ontvangen, maar klaagster niet zonder haar partner met verweerder wilde praten, is het reguliere spreekuur niet doorgegaan. Het korte gesprek dat in dit kader is gevoerd, heeft op de gang plaatsgevonden. In een ‘Rapportage consult’ die verweerder naar aanleiding van dit gesprek heeft opgemaakt staat vermeld:

‘Evaluatie

Spreekuur is niet doorgegaan. Mevrouw is wel verschenen, maar wilt niet zonder haar partner tevens belangenbehartiger met de arbo-arts praten. Gelet op de juridisering van de casus is een goede medische beoordeling slechts mogelijk als zij alleen wordt gezien door de bedrijfsarts / arbo-arts, zonder beïnvloeding van derden. Ik heb geen steekhoudende argumentatie gekregen waarom zij niet alleen gezien kan worden. Er zijn m.i. geen medische beperkingen daartoe. Door de weigerachtige opstelling van beiden is een goede beoordeling van haar belastbaarheid en mate van arbeidsgeschiktheid niet mogelijk. Er is wel een machtiging getekend voor het opvragen van medische informatie, maar voor beoordeling van arbeidsgeschiktheid is dat onvoldoende. De voor het spreekuur verstrekte informatie, ook van betrokkenen zelf, wijst op een arbeidsconflict. Tot nu toe heb ik medisch inhoudelijke beperkingen voor het aangaan van een gesprek met de werkgever niet kunnen vaststellen. Ik de huidige situatie ben ik genoodzaakt de casus terug te geven aan de werkgever.

(…)

Opgesteld door

Naam              A.

Datum             18-12-2014

Functie           Bedrijfsarts / arbo-arts’

2.6.      Op 31 december 2014 heeft de behandelend psycholoog van klaagster verweerder aanvullende informatie gestuurd waarin zij verweerder op zijn verzoek medische informatie heeft verstrekt met betrekking tot (i) de diagnose en bevindingen, (ii) de behandeling en (iii) de prognose.

2.7.      Naar aanleiding van het volgende consult op 8 januari 2015, waar klaagster wel alleen is verschenen, heeft verweerder een ‘Bijstelling probleemanalyse WIA’ opgesteld waarin staat vermeld:

‘3        Bijstelling

Werkneemster is op het spreekuur geweest. Op grond van mijn onderzoek concludeer ik dat er conform de STECR-richtlijn, geen sprake (meer) is van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. Zij is in staat tot het verrichten van haar werkzaamheden. Vanuit werkgeverszijde vernomen dat er sprake is van een arbeidsconflict. Ik adviseer de werkgever het probleem zo spoedig mogelijk op te lossen, zo nodig alsnog een bemiddelaar in te schakelen, ondanks de ingetreden juridisering. Werkneemster is het niet eens met deze conclusie en is gewezen op de mogelijkheid van een DO bij het UWV.

4          Ondertekening

Naam bedrijfsarts      A.’

2.8.      Klaagster heeft daarop een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. In dit deskundigenoordeel d.d. 3 februari 2015 oordeelt de door het UWV ingeschakelde verzekeringsarts I., dat op de geschildatum 15 januari 2015, naast een arbeidsconflict, nog sprake was van ‘ziekte’ in de vorm van spanningsklachten (die er ook al waren voor het conflict) en bovendien spreken zowel de huisarts als de psycholoog van spanningsklachten, aldus de verzekeringsarts. Klaagster is per geschildatum 15 januari 2015 derhalve niet volledig geschikt te achten voor eigen werk. Klaagster is niet volledig arbeidsongeschikt. Volgens de verzekeringsarts is zij in staat om te re-integreren, tijdcontingent op te gaan bouwen.

2.9.      Het dienstverband van klaagster bij E. is inmiddels beëindigd.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht bestaat, zakelijk weergegeven, uit de volgende onderdelen:

1. Verweerder heeft zich voorgedaan als bedrijfsarts met de daarbij behorende bevoegdheden, terwijl verweerder niet als bedrijfsarts staat geregistreerd in het

BIG-register.

2. Verweerder heeft zijn bevoegdheden als (arbo-)arts overschreden door in de ‘Bijstelling probleemanalyse WIA’ d.d. 18 december 2014 een advies uit te brengen over de benutbare mogelijkheden van klaagster in relatie tot arbeid, hetgeen is voorbehouden aan een bedrijfsarts.

3. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door zonder nadere onderbouwing aan te geven dat klaagster alleen op het spreekuur van 18 december 2014 diende te verschijnen. Toen klaagster desondanks met haar partner op het spreekuur verscheen, heeft het spreekuur geen doorgang gevonden omdat verweerder geen gesprek aan wilde gaan in aanwezigheid van de partner van klaagster. De discussie die in dat kader is gevoerd, heeft op de gang plaatsgevonden.

4. Het oordeel van verweerder na het consult op 8 januari 2015 dat klaagster op dat moment weer volledig arbeidsgeschikt was, is op onzorgvuldige wijze (vooringenomen en niet onafhankelijk) tot stand gekomen. Er heeft geen onderzoek door verweerder plaatsgevonden en de door hem opgevraagde medische informatie van de behandelend psycholoog van klaagster heeft verweerder zonder nadere onderbouwing naast zich neergelegd.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1.      Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, dat inhoudt dat verweerder zich ten onrechte als bedrijfsarts (met de daarbij behorende bevoegdheden) heeft voorgedaan, overweegt het college als volgt. Op grond van artikel 17 lid 2 Wet BIG is het degene aan wie het recht tot het voeren van een krachtens de Wet BIG erkende specialistentitel niet toekomt, verboden deze titel of een daarop gelijkende benaming te voeren. Verweerder staat in het BIG-register geregistreerd als arts en niet als bedrijfsarts. Desondanks wekt verweerder op meerdere plaatsen in het medisch dossier van klaagster de indruk dat hij naar zichzelf verwijst als ware hij bedrijfsarts.

5.2.      Zo heeft verweerder in de ‘Rapportage consult’ naar aanleiding van het gesprek dat op 18 december 2014 op de gang heeft plaatsgevonden, en ten aanzien waarvan verweerder klaagster vooraf per mail had laten weten dat hij haar alleen wenste te spreken, onder het kopje ‘Evaluatie’ (onder meer) geschreven: ‘Gelet op de juridisering van de casus is een goede medische beoordeling slechts mogelijk als zij alleen wordt gezien door de bedrijfsarts / arbo-arts, zonder beïnvloeding van derden’ (zie voor een volledige weergave overweging 2.5). Nu vaststaat dat verweerder op dat moment zorgdroeg voor de verzuimbegeleiding van klaagster, wekt hij in deze passage naar het oordeel van het college de indruk dat hij bedrijfsarts is. Deze indruk wordt nog versterkt doordat onder dit verslag staat vermeld dat het is opgesteld door ‘A. (…) Bedrijfsarts / arbo-arts’. Hetzelfde geldt voor de door verweerder op 8 januari 2015 opgestelde ‘Bijstelling probleemanalyse WIA’. Ook hierin staat onder het kopje ‘Ondertekening’ vermeld: ‘Naam bedrijfsarts A.’ (zie voor een volledige weergave overweging 2.7).

Verweerder voert weliswaar aan dat hij dit voorgedrukte formulier niet zelf kan wijzigen, maar wat hier ook van zij: verweerder kan wel achter zijn naam vermelden, zoals hij inmiddels ook doet zo verklaarde hij ter zitting, dat hij ‘arts’ is. Klachtonderdeel 1 slaagt derhalve. Ten overvloede meldt het college, en dat is verweerder ook ter zitting voorgehouden, dat hij bij beslissing van dit college d.d.

2 december 2014 ook al gewezen is op dit onjuiste/onterechte titelgebruik. Verweerder heeft zijn handelwijze niet (direct) daarop aangepast zo blijkt uit de genoemde stukken d.d. 18 december 2014 en 8 januari 2015 (zie onder 2.5 en 2.7).

5.3.      In het verlengde van het eerste klachtonderdeel – dat verweerder zich ten onrechte heeft voorgedaan als bedrijfsarts – houdt het tweede klachtonderdeel in dat verweerder zijn bevoegdheden als arts heeft overschreden door advies uit te brengen over de benutbare mogelijkheden van klaagster in relatie tot arbeid, hetgeen is voorbehouden aan een bedrijfsarts. In dit kader overweegt het college als volgt.

5.4.      In het NVAB Professioneel statuut van de bedrijfsarts (2003) – dat overeenkomstig artikel 1.5 van dat statuut van overeenkomstige toepassing is op andere artsen werkzaam in de arbodienst op het terrein van arbeid en gezondheid – is bepaald dat zolang een arts, werkzaam bij de arbodienst, (nog) niet geregistreerd is als bedrijfsarts, deze arts voor wat betreft bedrijfsgeneeskundige taken onder supervisie van een bedrijfsarts dient te werken (artikel 9.6). Uit het NVAB Verenigingsstandpunt inzake de delegatie van taken door bedrijfsartsen in het kader van de sociaal medische begeleiding (2004) (hierna het NVAB Verenigingsstandpunt delegatie), blijkt verder dat de bedrijfsarts bepaalde taken in het kader van de verzuimbegeleiding kan delegeren aan (onder andere) andere artsen (niet geregistreerde bedrijfsartsen). In dit NVAB Verenigingsstandpunt delegatie is onder meer bepaald:

‘De bedrijfsarts houdt de persoonlijke eindverantwoordelijkheid en dient zodanig toezicht te houden dat die kan worden waargemaakt. Daartoe moeten er structurele werkafspraken en regelmatig toezicht zijn op de kwaliteit van de taakuitoefening door hen waaraan gedelegeerd wordt. Tevens is er binnen de instelling (meestal de Arbo-dienst) protocollering, al of niet verankerd in een kwaliteitssysteem noodzakelijk: vastgelegde afspraken ten aanzien van positie, taakverdeling en verantwoordelijkheden van de verschillende professionals. De kwaliteit hiervan dient te worden bewaakt’

Daarnaast dient de delegatie van taken te voldoen aan een aantal in het NVAB Verenigingsstandpunt delegatie opgenomen randvoorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de werknemer in begrijpelijke termen ingelicht dient te worden over het delegeren van elementen van de begeleiding, de eindverantwoordelijkheid van de bedrijfsarts en de mogelijkheid tot consultering van een bedrijfsarts. Het verdient de voorkeur deze kennisgeving schriftelijk te doen. De gedelegeerde zorgt ervoor dat aan de werknemer duidelijk is dat sprake is van delegatie en de NVAB pleit met betrekking tot functiebenamingen voor herkenbaarheid van de wettelijk beschermde titels, aldus het NVAB Verenigingsstandpunt delegatie.

5.5.      Het college stelt op grond van voorgaande regelgeving vast dat het verweerder in beginsel is toegestaan (bepaalde) bedrijfsgeneeskundige werkzaamheden uit te voeren, maar dat verweerder – niet zijnde bedrijfsarts – onder supervisie van een bedrijfsarts dient te werken. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting weliswaar verklaard dat hij binnen de G. beschikt over een supervisor (een geregistreerd bedrijfsarts) met wie hij eenmaal in de drie maanden een zogenoemd supervisiegesprek voert en aan wie hij alle belangrijke documentatie (zoals Actuele Oordelen ten behoeve van de WIA, Functionele Mogelijkheden Lijsten en Probleemanalyses) stuurt, doch enige feitelijke onderbouwing (met stukken) ontbreekt hiervan.

Verweerder heeft echter eveneens verklaard dat hij bij de verzuimbegeleiding van klaagster niet is begeleid door zijn supervisor en dat er evenmin overleg heeft plaatsgevonden, ook niet met betrekking tot de beslissing van verweerder dat hij klaagster enkel nog alleen wenste te zien.

5.6.      Ter zitting heeft verweerder verder verklaard dat H. (de geregistreerd bedrijfsarts die klaagster op het eerste consult van 27 augustus 2014 heeft gezien) de eindverantwoordelijk bedrijfsarts was ten aanzien van de verzuimbegeleiding van klaagster (en niet de supervisor van verweerder). Verweerder heeft ter zitting erkend dat klaagster niet, althans onvoldoende duidelijk, is ingelicht over het feit dat bepaalde elementen van de verzuimbegeleiding door de eindverantwoordelijk bedrijfsarts aan verweerder waren gedelegeerd. Evenmin was bij klaagster bekend dat H. de eindverantwoordelijk bedrijfsarts was en dat klaagster te allen tijde de mogelijkheid had de bedrijfsarts te consulteren, zo verklaarde klaagster ter zitting. Dit is ook nergens als zodanig in het overgelegde medisch dossier terug te vinden. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van daadwerkelijk en inhoudelijk adequaat toezicht door de eindverantwoordelijk bedrijfsarts. Of er binnen de G. vastgelegde afspraken bestaan ten aanzien van de positie, taakverdeling en verantwoordelijkheden van de verschillende professionals, heeft verweerder het college niet duidelijk kunnen maken. In ieder geval ontbreken daartoe onderbouwende stukken.

5.7.      Op grond van het voorgaande heeft het college twijfel bij het bestaan van adequate afspraken over en daadwerkelijke uitvoering van supervisie en reëel toezicht door een geregistreerd bedrijfsarts op de werkzaamheden van gedelegeerden binnen de G. in het algemeen, en de werkzaamheden van verweerder in het kader van de verzuimbegeleiding van klaagster in het bijzonder. Daarbij stelt het college vast dat niet is voldaan aan de randvoorwaarden voor delegatie van taken van de bedrijfsarts. Het een en ander is niet enkel een verantwoordelijkheid van de G., maar tevens van verweerder zelf, nu hij immers in persoon gehouden is om ook in dit opzicht zijn professionele standaard te bewaken en te waarborgen.

Alles beschouwende in onderling verband en samenhang concludeert het college dat ook het tweede klachtonderdeel gegrond is.

5.8.      Ten aanzien het derde klachtonderdeel met betrekking tot het ‘consult’ op 18 december 2014 dat op de gang heeft plaatsgevonden, overweegt het college als volgt. In zijn e-mail aan klaagster van 12 december 2014 heeft verweerder niet toegelicht waarom hij wilde dat klaagster op 18 december 2014 alleen op het spreekuur zou komen. In het kader van de onderhavige procedure heeft verweerder verklaard dat hij dit voor een goede beoordeling noodzakelijk vond. De partner van klaagster was tijdens eerdere spreekuren een storende factor; hij nam voortdurend het woord en gebruikte daarbij veel juridische terminologie, aldus verweerder.

5.9.      Het had naar het oordeel van het college voor de hand gelegen dat verweerder in voornoemde e-mail aan klaagster had toegelicht waarom hij wilde dat klaagster dit keer alleen zou komen. Vooral ook omdat klaagster de spreekuren van verweerder (en zijn voorganger) voordien altijd in het bijzijn van haar partner bezocht, en verweerder tijdens die spreekuren nooit aan klaagster en haar partner te kennen heeft gegeven dat hij de aanwezigheid van de partner van klaagster storend vond en dit een goede beoordeling van klaagster in de weg stond. Toen voorafgaand aan het spreekuur van 18 december 2014 bleek dat klaagster toch samen met haar partner was gekomen, had verweerder hen beiden eenvoudig in de spreekkamer uit kunnen nodigen om zijn punt aan de orde te stellen. Het feit dat verweerder dit na heeft gelaten en op de gang een discussie met klaagster (en haar partner) is aangegaan, acht het college onzorgvuldig en bovendien in strijd met klaagsters recht op privacy. Klachtonderdeel 3 is dan ook gegrond.

5.10.    Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel, dat het oordeel van verweerder d.d. 8 januari 2015 dat klaagster op dat moment weer volledig arbeidsgeschikt was op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, overweegt het college als volgt. Verweerder stelt dat er op 8 januari 2015 een medisch inhoudelijke beoordeling van de klachten van klaagster heeft plaatsgevonden. Hij heeft klaagster een aantal lastige vragen gesteld teneinde de druk op te voeren om zo te kunnen beoordelen hoe klaagster daarop reageerde, aldus verweerder. Ter zitting kon verweerder desgevraagd geen voorbeelden geven van de lastige vragen die hij klaagster op dat moment heeft gesteld.

Klaagster stelt daarentegen dat op 8 januari 2015 helemaal geen onderzoek heeft plaatsgevonden; zij is slechts een paar minuten in de spreekkamer geweest en verweerder is gedurende het spreekuur blijven staan. Verweerder zou klaagster geen enkele vraag hebben gesteld en haar slechts hebben medegedeeld; ‘Ik zie voor mij een arbeidsgeschikte vrouw’. Nu de verklaringen van partijen op dit punt sterk uiteenlopen en aan het woord van de een niet méér geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander, laat het college deze verklaringen in haar oordeel verder buiten beschouwing.

5.11.    Voorts blijkt uit het medisch dossier dat verweerder voorafgaand aan het spreekuur van 8 januari 2015 van de werkgever had vernomen dat er sprake was van een arbeidsconflict. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit gegeven een doorslaggevende rol heeft gespeeld in zijn oordeel dat geen sprake (meer) was van arbeidsongeschiktheid. Het college kan verweerder hierin niet volgen. Indien en voor zover verweerder er, nadat hij had vernomen dat er sprake was van een arbeidsconflict, vanuit is gegaan dat de ziekmelding het directe gevolg was van het arbeidsconflict en er (met terugwerkende kracht) dus conform de STECR Werkwijze Arbeidsconflicten 2010 geen sprake zou zijn van ziekte, had hij dit beter moeten motiveren in zijn advies. Vooral ook omdat zijdens klaagster wordt betwist dat er op het moment van ziekmelding sprake was van een arbeidsconflict en verweerder bovendien op 20 november 2014 weldegelijk medische beperkingen had vastgesteld. Wanneer sprake is van medische beperkingen in combinatie met een arbeidsconflict, is op grond van de STECR Werkwijze Arbeidsconflicten 2010 een tweesporenbeleid geïndiceerd waarin zowel de medische beperkingen als het arbeidsconflict aangepakt dienen te worden. Een dergelijk tweesporenbeleid is door verweerder echter niet ingezet. In dit kader wijst het college op een passage in de STECR Werkwijze Arbeidsconflicten 2010 (p. 13): ‘Alhoewel het gelukkig minder frequent voorkomt, zijn er nog steeds bedrijfsartsen die, zodra ze het woord arbeidsconflict horen, menen dat er dan geen sprake van ziekte kan zijn. Dat is naar de unanieme opvatting van de Kenniskring een onjuiste opvatting.’

5.12.    Daarbij is relevant dat verweerder de door hemzelf bij de behandelend psycholoog van klaagster opgevraagde informatie ten tijde van de arbeidsgeschiktheidsbeoordeling d.d. 8 januari 2015 (nog) niet had ontvangen. Het college is van oordeel dat indien er kennelijk aanleiding bestaat tot het inwinnen van informatie bij behandelaars, deze informatie dient te worden afgewacht en vervolgens zorgvuldig (én kenbaar) dient te worden gewaardeerd en gewogen, alvorens tot een beslissing te komen ten aanzien van arbeids(on)geschiktheid. Dat verweerder dit heeft nagelaten acht het college onzorgvuldig. In dit kader is nog van belang dat de hiervoor in overweging 5.2 genoemde uitspraak van dit college – waarin verweerder is berispt – eveneens betrekking had op het feit dat verweerder ook in die zaak de door hem opgevraagde medische informatie uit de behandelend sector niet had afgewacht alvorens hij tot zijn besluitvorming inzake arbeidsgeschiktheid over was gegaan. Het college concludeert dat ook het vierde klachtonderdeel gegrond is.

5.13.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten.

Het college houdt bij de oplegging van de maatregel allereerst rekening met het feit dat verweerder in de uitspraak van dit college d.d. 2 december 2014 (zie overwegingen 5.2 en 5.12) voor soortgelijke feiten is berispt en hier geen kenbare lering uit heeft getrokken. Daarbij komt dat verweerder ter zitting een ontwijkende proceshouding heeft aangenomen, waarbij nauwelijks enige kritische reflectie op het eigen handelen en nalaten naar voren is gekomen. Verweerder toonde verder geen enkele empathie naar aanleiding van emotionele uitlatingen van klaagster ten aanzien van de gehele gang van zaken en evenmin ging verweerder in op de suggestie van het college om – gelet op de emoties die overduidelijk nog bij klaagster leven – buiten het kader van deze tuchtprocedure nog eens met elkaar in gesprek te gaan. Verweerder volstond met de laatste woorden: ‘De leugens komen niet van mijn kant’. Gelet op de omvang, ernst en laakbaarheid van de aan verweerder gemaakte verwijten, oordeelt het college de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van zes maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       De arts richt zich in beroep tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege omtrent alle vier de klachtonderdelen en tegen de opgelegde maatregel. Hij beoogt de zaak in volle omvang voor te leggen. Hij concludeert tot vernietiging van de beslissing in eerste aanleg en ongegrondverklaring van de klacht.

4.2       Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege volgt hierna de door het Regionaal Tuchtcollege gegeven nummering van de klachtonderdelen, en stelt bij de beoordeling van het beroep het volgende voorop.

4.4       De klachten hebben betrekking op gebeurtenissen die zich eind 2014 en begin 2015 hebben afgespeeld. Iets minder dan een jaar daarvoor, op 26 februari 2014, heeft het Regionaal Tuchtcollege op grond van klachten van een andere klager de arts de maatregel van berisping opgelegd. Tegen die beslissing is geen beroep ingesteld. Die zaak had betrekking op het handelen van de arts in zijn hoedanigheid van een onder supervisie van een bedrijfsarts opererende arbo-arts, alsmede de wijze waarop hij zich in die rol presenteerde. Deze beslissing zal hierna als de eerste tuchtzaak worden aangeduid.

4.5       Het Regionaal Tuchtcollege heeft de in de eerste tuchtzaak opgelegde maatregel mede doen steunen op het feit dat de arts in diverse documenten als bedrijfsarts werd opgevoerd, terwijl hij als zodanig niet staat ingeschreven in het BIG-register en zonder dat hij van die titel aantoonbaar afstand nam. Deze beslissing had de arts ertoe moeten bewegen zijn handelen onmiddellijk in overeenstemming te brengen met de aan hem gestelde eis van juiste titelvoering en transparantie. Dat heeft hij niet gedaan. Integendeel, hij is gebruik blijven maken van formulieren die in dat opzicht op zijn minst tot onduidelijkheid konden leiden. Zijn verweer dat het technisch niet mogelijk zou zijn de noodzakelijke aanpassingen te doen, baat hem niet. Ter zitting is gebleken dat de mogelijkheid bestaat om in de gebruikte elektronische standaardformulieren de naam van de bedrijfsarts oningevuld te laten of op uitdraaien daarvan ter verduidelijking een stempel te laten plaatsen.  De arts heeft verder aangegeven dat hij zijn werkwijze inmiddels heeft kunnen aanpassen. Ook heeft hij – zij het pas na de beslissing in eerste aanleg in de onderhavige (tweede)  tuchtzaak – in de spreekkamer een bordje geplaatst met de aanduiding “arbo-arts”.

4.6       Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege met juistheid heeft geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en dat het daartegen gerichte beroep vergeefs is ingesteld.

4.7       De in de eerste tuchtzaak opgelegde maatregel van berisping is mede gebaseerd op de vaststelling dat niet voldoende was aangetoond dat sprake was van reële supervisie door een geregistreerde bedrijfsarts, en dat de toenmalige klager daaromtrent ook niet in begrijpelijke termen was ingelicht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft hierbij terecht vooropgesteld dat het een (basis)arts die is verbonden aan een gecertificeerde arbodienst in beginsel is toegestaan bedrijfsgeneeskundige werkzaamheden uit te voeren, maar dat hij in situaties als de onderhavige onder supervisie van een bedrijfsarts dient te werken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in de eerste tuchtzaak verder overwogen dat niet was aangetoond dat sprake was van de noodzakelijk geachte daadwerkelijke en inhoudelijk adequate supervisie. Daaraan is toen terecht toegevoegd dat de uitvoering van de supervisie niet alleen een verantwoordelijkheid is van de arbodienst waarvoor de arts werkzaam is, maar tevens en primair van die arts zelf. De beslissing in deze tuchtzaak had de arts ertoe moeten bewegen de supervisie alsnog deugdelijk en op kenbare wijze inhoud te geven en daartoe initiatieven te ontplooien. Dat heeft hij nagelaten: niet is gebleken dat met de bedrijfsarts H., die in de periode waarover het in deze zaak gaat als supervisor zou hebben gefungeerd, een zogenoemde ‘overeenkomst delegatie taken bedrijfsarts’ is gesloten. Van de hand van H. is weliswaar een tweetal verklaringen overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de supervisie eind 2014 adequaat was geregeld, maar die verklaringen hebben het Centraal Tuchtcollege niet overtuigd dat dat ook daadwerkelijk het geval was. H. schrijft slechts in algemene termen over ‘steekproeven’ en gaat verder vooral uitgebreid in op intervisie. Dergelijke intercollegiale bespreking van gecompliceerde casuïstiek dient echter van supervisie te worden onderscheiden. Dat in enig opzicht wel werd gehandeld in overeenstemming met de eisen zoals die zijn uitgewerkt in het NVAB Verenigingsstandpunt delegatie is ook verder in geen enkel opzicht door de arts onderbouwd. De opmerking van H. dat ‘in de meest recente werkwijze’ sprake is van ‘een meer gestructureerde 1 op 1 koppeling’ wijst eerder op langdurende afwezigheid van het noodzakelijke structureel persoonlijke overleg, en het ontbreken van de vereiste vastlegging (onder meer in protocollen, overeenkomsten en werkplannen) van de positie, taakverdeling en verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Dat sprake is geweest van de bewaking van de kwaliteit van de uitvoering van een en ander, of van de noodzakelijke voorlichting van de werknemer, is evenmin aannemelijk geworden. Ook ter zitting in beroep heeft de arts niet duidelijk kunnen maken hoe vaak en op welke momenten terugkoppeling door de supervisor aan de hand van steekproeven daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voorbeelden daarvan heeft hij niet kunnen noemen.

4.8       In het licht van de maatregel die al in 2014 is opgelegd – en gelet ook op de onderbouwing van die maatregel – kan de arts een ernstig verwijt worden gemaakt dat hij heeft nagelaten de supervisie mede inhoud te geven. Nu de beoordeling van de arts van klaagster niet aansloot bij haar persoonlijke opvatting, had het bovendien in de rede gelegen om in dit individuele geval nog met de supervisor te overleggen, alvorens zijn bevindingen aan derden te rapporteren. Ter zitting in beroep heeft de arts verklaard dat hij dat heeft nagelaten.

4.9       Het tweede klachtonderdeel is dus ook naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege gegrond. Het daartegen gerichte beroep faalt.

4.10     Met betrekking tot de spreekuurafspraak van 18 december 2014, die is uitgelopen op een discussie op de gang met klaagster en haar partner (het derde klachtonderdeel), is het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de arts onvoldoende professioneel met de situatie is omgegaan. Van een redelijk bekwaam handelend arts mag worden verwacht dat hij bij een dreigend conflict over de vraag of een echtgenoot bij het consult aanwezig kan zijn, de-escalerend optreedt door in de beslotenheid van de spreekkamer zijn beweegredenen daarvoor uiteen te zetten. Het Centraal Tuchtcollege verenigt zich in dit opzicht dus eveneens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege.

4.11     Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel komt het Centraal Tuchtcollege tot een andersluidend oordeel. Evenals het Regionaal Tuchtcollege kan ook het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen hoe het onderzoek op het spreekuur van

8 januari 2015 is verlopen. Daarvoor lopen de lezingen te zeer uiteen. Echter, anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld, is de arts in zijn algemeenheid niet gehouden om bij behandelaars opgevraagde informatie af te wachten, te waarderen en te wegen alvorens ten aanzien van de bepaling van de mate van arbeids(on)geschiktheid een advies te geven. De arts kan daarvan afzien indien deze informatie hem niet of niet tijdig bereikt of indien hij deze niet langer noodzakelijk vindt om tot zijn oordeel te kunnen komen. De arts kan er geen tuchtrechtelijk verwijt van worden gemaakt dat hij op 8 januari 2015 advies uitbracht terwijl de op 20 november 2014 aan de psycholoog verzochte informatie hem nog niet had bereikt. Het beroep van de arts slaagt in zoverre.

4.12    Bij de vraag welke maatregel passend is, laat het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege zwaar wegen dat de arts naar aanleiding van de eerste tuchtzaak geen actie heeft ondernomen om de geconstateerde tekortkomingen te verbeteren.  Ook in de tweede tuchtzaak zijn immers gedeeltelijk dezelfde tekortkomingen vast komen te staan. Gelet daarop kan niet worden volstaan met de maatregel van berisping en komt een zwaardere maatregel in aanmerking. Het Centraal Tuchtcollege zal een voorwaardelijke schorsing opleggen van kortere duur dan het Regionaal Tuchtcollege heeft opgelegd, nu minder klachtonderdelen gegrond zijn bevonden en de arts naar aanleiding van de beslissing in eerste aanleg in deze tweede tuchtzaak zijn werkwijze alsnog heeft aangepast. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat een voorwaardelijke schorsing voor de duur van één maand passend en geboden is.  Aan de voorwaardelijke schorsing is een proeftijd van twee jaren verbonden.

4.13     Omredenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden gelast.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep doch uitsluitend voor zover het vierde klachtonderdeel gegrond is bevonden en voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart het vierde klachtonderdeel ongegrond;

legt aan de arts de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het register voor de duur van een maand en bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd dan nadat het Centraal Tuchtcollege zulks heeft gelast op grond van het feit dat hij, de arts, binnen de proeftijd die hierbij wordt bepaald op twee jaar, zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag van deze uitspraak en dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode(n) dat de arts is ingeschreven in het BIG-register;

bepaalt dat indien de arts de voorwaarde niet naleeft, het Centraal Tuchtcollege alsnog de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de hiervoor opgelegde maatregel kan gelasten;

verwerpt het beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. M.W. Zandbergen

en mr. J.M. Rowel-van der Linde, leden-juristen en  drs. H.S. Boersma en

drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden-beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2017.

Voorzitter   w.g.         Secretaris  w.g.

Driel, J.K. van

Naam
J.K. van Driel  (Jan Kees)
Geslacht
Man
BIG-nummer
29020718001
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Arbeid en gezond – bedrijfsgeneeskunde
Plaats
Houten
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 8 maart 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening.

uitspraak Centraal Tuchtcollege 8 maart 2016

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.227 van:

A., bedrijfsarts, destijds werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste instantie, gemachtigde: mr. C.J. van Weering, advocaat te Leiden,

tegen

C., wonende te D., verweerder, klager in eerste instantie.

1.        Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft op 22 augustus 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 31 maart 2015 en uitgesproken op 12 mei 2015, onder nummer 14/288, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd.

De bedrijfsarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen en heeft vervolgens de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 februari 2016, waar zijn verschenen klager en de bedrijfsarts bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1. Klager heeft in de periode van 14 mei tot 13 juni 2014 werkzaamheden als hovenier verricht ten behoeve van E. te F.. Aan klager is daarna een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze uitkering heeft klager zich op 11 juli 2014 ziek gemeld.

2.2. Verweerder is sinds mei 2008 geregistreerd als bedrijfsarts. Verweerder is werkzaam als bedrijfsarts bij G. te B.. Verweerder heeft klager in opdracht van E. beoordeeld. Verweerder is tot het oordeel gekomen dat klager per 19 augustus 2014 volledig arbeidsgeschikt is.

2.3. Klager is in het kader van een bezwaar tegen het oordeel bedoeld in 2.2 onderzocht door H., verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het I.. H. is tot het oordeel gekomen dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat klager per 19 augustus 2014 geschikt is voor het laatst verrichte werk van hovenier.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 47, eerste lid onder b. van de Wet op de beroepen in de Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG):

1. door hem arbeidsgeschikt te verklaren voor zijn werk als hovenier zonder hem te hebben onderzocht;

2. door hem arbeidsgeschiktheid te verklaren zonder informatie in te winnen bij zijn huisarts en

3. door zijn oordeel niet deugdelijk te onderbouwen.        

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De overwegingen van het college

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het college zal deze vraag aan de hand van elk afzonderlijk geformuleerd klachtonderdeel beantwoorden.

5.2       Uit het door verweerder overgelegde medisch dossier is bij “Medisch beeld” opgenomen:

“Klaagt over zijn rug. Zou sinds jaren spelen. Toch weer wat doorheen gegaan.

Pijn ook wel uitstralend naar been L; tot aan dig V.

L.O. inderdaad been L ontziend bij lopen; adipositas. Doorverwezen naar adipositaskliniek. Zal misschien van operatie komen. Gebruikt pijnstillers. Ibuprofene en paracetamol. B) voll. AG”.

Andere gegevens van medische aard zijn in het medisch dossier niet opgenomen.

Uit het medisch dossier volgt niet dat verweerder alvorens tot zijn oordeel te komen klager heeft onderzocht. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat een nader lichamelijk onderzoek geen bijdrage zou hebben geleverd aan zijn oordeel en evenmin zou hebben geleid tot een ander advies. Dit omdat gegevens bij lichamelijk onderzoek in het algemeen weinig specifiek zijn en dat zulks bij de adipositas van klager bij uitstek het geval is. Naar de stelling van verweerder had hij onderzoek kunnen uitvoeren om meer acceptatie te bereiken. Dit onderzoek had kunnen bestaan uit: reflexen onderzoeken, hielenloop, tenenloop, voorover buigen rug, zijwaards buigen rug, draaien in rug, etc. De adipositas van klager was voor verweerder echter aanleiding om dit – door hem aangeduid als – gymnastieken achterwege te laten, omdat dit een nodeloze belasting zou zijn geweest. Verweerder heeft in dit kader ten slotte in het verweerschrift opgemerkt dat medisch gezien een nader onderzoek overbodig was, mede gezien het feit dat klager zich dan had dienen te ontkleden.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd gesteld dat hij in het geheel geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Zijn onderzoek heeft zich beperkt, en naar zijn mening kunnen beperken, tot het afnemen van een anamnese en observatie. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij vrijwel nooit lichamelijk onderzoek doet en b.v. hart en longen met een stethoscoop door de kleding heen beoordeelt, wegens de al genoemde belasting voor de onderzochte en de geringe bijdrage aan zijn oordeel.

5.3. Het college volgt verweerder niet in zijn standpunt. De door klager geuite klachten, mede bezien in samenhang met het door verweerder geconstateerde ontlasten van het linkerbeen tijdens het lopen, kunnen duiden op de aanwezigheid van een afwijking in de rug. Deze klachten hadden aanleiding dienen te geven tot het afnemen van een anamnese over de volle breedte en het verrichten van specifiek onderzoek. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. Het ontgaat het college volstrekt hoe verweerder op basis van een zeer beperkte anamnese en het observeren van klager bij binnenkomst in de spreekkamer tot een oordeel heeft kunnen komen over de oorzaak van de klachten van klager en hoe verweerder tot het oordeel heeft kunnen komen dat klager geschikt was voor zijn werkzaamheden van hovenier.

5.4. Het college volgt ook niet de reactie van verweerder ter zitting op het onderzoek verricht door H.. Verweerder heeft er weliswaar terecht op gewezen dat het door H. verrichte onderzoek heeft plaatsgevonden in november 2014 en dat hij klager al in augustus 2014 zag, doch dit gaat eraan voorbij dat H. anders dan verweerder klager wel heeft onderzocht en dat uit dit onderzoek bleek dat er bij klager sprake was van gevoelsverlies, geen achillespeesreflex, een positieve Lasègue en een positieve Bragard. Deze onderzoeksresultaten brengen geenszins met zich mee dat hiermee vaststaat dat bij onderzoek in augustus 2014 een en ander ook zou zijn geconstateerd. Problematisch is echter dat door het niet verrichten van onderzoek door verweerder niet is vastgesteld of een en ander zich ook al in augustus 2014 voordeed.  

5.5. Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 5.3 en 5.4 is het klachtonderdeel vermeld onder 3, bij 1, gegrond.

5.6. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld te hebben overwogen dat aanvullende informatie van de huisarts niet noodzakelijk was voor het door hem te geven advies, omdat daarvan geen meerwaarde viel te verwachten. In het verweerschrift heeft hij voorts gesteld dat hij weloverwogen van het opvragen heeft afgezien.

5.7. Het college volgt verweerder niet in zijn in 5.6 weergegeven standpunt. Uit de beperkte anamnese volgt dat de rugklachten reeds jaren bestaan. Het is derhalve zeer voor de hand liggend dat klager zich met deze klachten tot de huisarts heeft gewend en dat bij de huisarts nadere informatie aanwezig was. Voor een volledige beeldvorming had verweerder – zeker nu hij van opvatting was dat lichamelijk onderzoek niet aangewezen was – informatie bij de huisarts dienen in te winnen. Ook uit het verhandelde ter zitting is het college niet kunnen blijken op welke gronden verweerder tot het oordeel is gekomen dat van het opvragen van informatie bij de huisarts geen meerwaarde viel te verwachten. Ook het klachtonderdeel vermeld onder 3, bij 2, is mitsdien gegrond.

5.8. Ook het klachtonderdeel vermeld onder 3, bij 3, treft doel. Verweerder heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op welke gronden hij tot het oordeel is gekomen dat klager arbeidsgeschikt is.

De conclusie van het voorgaande is dat verweerder niet professioneel heeft gehandeld en dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 onder b van de Wet BIG had behoren te betrachten.

Het college betrekt bij zijn overwegingen dat verweerder ter zitting geen inzicht heeft getoond dat het geven van een medisch oordeel bij klachten als door klager geuit, op basis van observatie en een zeer beperkte anamnese, zonder het verrichten van lichamelijk onderzoek en zonder het inwinnen van informatie bij de huisarts van klager verkeerd is, en daarmee blijk geeft van een structureel onjuist medisch handelen. Nu het handelen van verweerder verwijtbaar en laakbaar is en verweerder geen inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelen acht het college het opleggen van een berisping aangewezen.”  

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het hoger beroep

4.1           De bedrijfsarts heeft twee grieven geformuleerd tegen de beslissing in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege begrijpt deze grieven aldus dat de bedrijfsarts in de eerste plaats opkomt tegen het oordeel dat hij ten onrechte heeft nagelaten informatie op te vragen bij de huisarts van klager (het tweede klachtonderdeel). De bedrijfsarts stelt dat het zijn ervaring is dat het opvragen en ontvangen van schriftelijke informatie van een huisarts vaak lang duurt en dat hij, gelet op het feit dat de nieuwe klachten van klager nog niet zo lang bestonden, ervan heeft afgezien informatie op te vragen. Daarbij was de bedrijfsarts van mening dat klager hem afdoende kon informeren, zodat informatie van de huisarts geen meerwaarde zou hebben. Ook speelde een rol dat klager niet direct weer zijn werkzaamheden zou moeten hervatten, aldus de bedrijfsarts. Was dat wel zo geweest dan had de bedrijfsarts klager arbeidsongeschikt bevonden voor het verrichten van zijn werkzaamheden als hovenier.

In de tweede plaats komt de bedrijfsarts op tegen de hem opgelegde maatregel van berisping. De bedrijfsarts heeft zich in een zelfevaluatie eind 2014 gerealiseerd dat hij een te streng criterium aanhield voor beoordelingen in het kader van de Ziektewet. Sinds die tijd heeft hij zijn beleid aangepast. Ook maakt de bedrijfsarts sinds eind 2014 een uitgebreidere inventarisatie dan voorheen op van de problematiek. De bedrijfsarts is van mening dat hij tijdens de zitting van het Regionaal Tuchtcollege  niet juist heeft gereageerd op vragen; hij voelde  zich overvallen door het rapport van de verzekeringsgeneeskundige H.. Dit heeft ertoe geleid dat de bedrijfsarts tijdens genoemde zitting in eerste aanleg niet de juiste woorden heeft kunnen vinden. Wanneer dit wel het geval was geweest, dan was een genuanceerder beeld van zijn handelen ontstaan.

Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft de bedrijfsarts verklaard dat hij zich bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van klager te veel heeft laten leiden door emotie, waardoor hij zich op het verkeerde been heeft laten zetten, wat weer de oorzaak is geweest voor zijn tunnelvisie ten aanzien van klager. Naast het achterwege laten van lichamelijk onderzoek heeft de bedrijfsarts het, als gevolg van deze tunnelvisie, ook niet nodig geacht informatie in te winnen bij de huisarts van klager, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts informatie bij de huisarts had dienen in te winnen.

Ten aanzien van de opgelegde maatregel van berisping overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De bedrijfsarts valt een ernstig verwijt te maken. Dit is ook door hem erkend. De bedrijfsarts stelt , na zelfevaluatie, zich te hebben gerealiseerd dat hij een te streng criterium aanhield voor beoordelingen en dat hij sindsdien ook een uitgebreidere inventarisatie opmaakt. Desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft de bedrijfsarts echter niet concreet kunnen duiden hoe hij zijn werkwijze heeft aangepast. Daarbij komt dat, alhoewel de bedrijfsarts heeft erkend een ernstige fout te hebben gemaakt, hij zijn werkwijze ten aanzien van klager tot en met de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege (op 31 maart 2015, alwaar hij werd bijgestaan door een advocaat) heeft verdedigd, terwijl van hem had mogen worden verwacht dat hij, ook zonder dat hem een maatregel zou zijn opgelegd, zou hebben ingezien dat hij onjuist heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege acht het niet aannemelijk dat deze houding van de bedrijfsarts uitsluitend is ingegeven door de zenuwen die hem tijdens de zitting in eerste aanleg parten spelen. Tegen deze achtergrond is het Centraal Tuchtcollege er niet van overtuigd dat de bedrijfsarts echt tot het inzicht is gekomen dat hij onjuist heeft gehandeld en zijn handelwijze heeft aangepast. Het Centraal Tuchtcollege ziet dan ook geen aanleiding om de maatregel aan te passen.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. J.P. Fokker en

mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en drs. H.S. Boersma en

drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden-beroepsgenoten en mr. M.W. van Beek, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2016.

Voorzitter   w.g.                                           Secretaris  w.g.

 

Melchers, R.U.

Naam
R.U. Melchers (Roelof Ulkes)
Geslacht
Man
BIG-nummer
49022733001
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Arbeid en gezond – bedrijfsgeneeskunde
Plaats
Houten
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 28 januari 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, onheuse bejegening en afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.

ECLI:NL:TGZCTG:2016:56 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2015.191
Klacht tegen bedrijfsarts: In 2013 speelde er een arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever en zijn er contacten geweest tussen klager en verweerder die werkzaam is als zelfstandig bedrijfsarts. Klager heeft nadien zijn werk weer hervat.
In februari 2014 heeft klager zich ziek gemeld. Op 24 maart 2014 is klager op het spreekuur van verweerder geweest.
Klager verwijt verweerder dat hij: 1. klager onheus heeft bejegend tijdens het gesprek op 24 maart 2014; 2. zonder toestemming contact heeft opgenomen met de huisarts van klager; 3. klager en zijn klachten niet serieus nam; 4. klager woorden in de mond heeft gelegd; 5. aanstuurde op een conflict tussen klager en zijn werkgever; 6. onduidelijk heeft gerapporteerd; 7. tijdens het consult op 24 maart 2014 heeft erkend dat klager rugklachten had, maar dat hij in de rapportage heeft vermeld dat ziekte niet de oorzaak is van het verzuim.
Het Regionaal Tuchtcollege legt de maatregel van berisping op met publicatie.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt, onder verbetering van gronden, het beroep van de bedrijfsarts. De maatregel van berisping blijft gehandhaafd.
Datum uitspraak: 28-01-2016
Datum publicatie: 28-01-2016
ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2016:56

E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.191 van:

A., bedrijfsarts, werkzaam te B., appellant in hoger beroep, verweerder in eerste instantie,

tegen

C., wonende te D., verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg.

1. Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft op 3 juni 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen de heer A. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

21 april 2015, onder nummer 14/183, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de beslissing gelast nadat deze onherroepelijk is geworden.

De bedrijfsarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tucht-college van 3 december 2015, waar zijn verschenen klager en de bedrijfsarts. Klager heeft als getuige doen horen zijn echtgenote, mevrouw E.. De bedrijfsarts heeft als deskundige doen horen de heer F., arts. Partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting toegelicht, de bedrijfsarts deed dit aan de hand van een pleitnota die het aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1 Verweerder is zelfstandig bedrijfsarts en eigenaar van G.-bedrijfskundige

expertise te B..

2.2 Klager is werkzaam bij Hotel G. te D..

2.3 In 2013 speelde er een arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever.

2.4 In 2013 zijn er contacten geweest tussen klager en verweerder. Op 14 mei 2013

heeft klager aan verweerder een machtiging om informatie op te vragen en te verstrekken gegeven.

2.5 Op 18 februari 2014 heeft klager zich ziek gemeld. Vervolgens kreeg klager

een oproep voor 24 februari en 3 maart 2014 voor een gesprek in H. met verweerder. Deze afspraken heeft klager afgezegd.

2.6 Op 4 maart 2014 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met

I., huisarts van klager.

2.7 Op 24 maart 2014 is klager op het spreekuur van verweerder geweest. In het

dossier heeft verweerder over dit consult, voor zover thans van belang, het volgende aangetekend:

“ Maandag 24 maart onderzocht ik uw medewerker C.. De vraag is of er een medische verklaring bestaat voor zijn verzuim en, zo ja… wat zijn huidige arbeidsmogelijkheden zijn en wanneer volledige werkhervatting verwacht wordt.

Mede gezien de voorgeschiedenis ligt een andere verklaring, een gespannen arbeidsrelatie, meer in de rede dan een ziekte. Om hierin te kunnen besluiten zal ik contact opnemen met zijn behandelaar en u nader berichten.

(…)”

2.8 Op 28 maart 2014 heeft verweerder wederom telefonisch contact opgenomen

met de huisarts van klager. Daarover heeft verweerder het volgende, voor

zover van belang, genoteerd:

“(…)

Eigenlijk idem aan het vorige overleg. Het loopt niet lekker op de werkvloer.

Huisartsencontacten

14-2 druk op de borst

17-2 onrust op het werk. In het weekend op zijn nummer gezet voor anderen. Wind van voren. Ziekmeldaankondiging.

(…)

Ik: dus ziekte verklaart zijn verzuim van meet af aan niet”.

2.9 Ten aanzien van het advies van verweerder aan de werkgever heeft verweerder

genoteerd:

“Aan wg met kopie aan wn:

28 maart 2014. Ten aanzien van uw medewerker C., in vervolg op mijn spreekuurrapportage dd 24 maart en na overleg met zijn behandelaar:

Ziekte verklaart van meet af aan (dus vanaf de eerste verzuimdag), continu, zijn verzuim niet.

Nog immer zijn het spanningen die hij ervaart in de arbeidsrelatie die zijn verzuim verklaren.

(…)”

3. De klacht en het standpunt van klager

Klager verwijt verweerder dat hij:

– klager onheus heeft bejegend tijdens het gesprek op 24 maart 2014,

– zonder toestemming contact heeft opgenomen met de huisarts van klager,

– klager en zijn klachten niet serieus nam,

– klager woorden in de mond heeft gelegd,

– aanstuurde op een conflict tussen klager en zijn werkgever,

– onduidelijk heeft gerapporteerd,

– tijdens het consult op 24 maart 2014 heeft erkend dat klager rugklachten had, maar dat hij in de rapportage heeft vermeld dat ziekte niet de oorzaak is van

het verzuim.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1 Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het college zal deze vraag aan de hand van alle onderdelen van de klacht beantwoorden.

5.2 De klacht richt zich overwegend tegen het consult van 24 maart 2014. Klager heeft tijdens de zitting op 27 augustus 2014 in het kader van het vooronderzoek naar voren gebracht dat hij tijdens dat gesprek onheus is bejegend, dat zijn klachten niet serieus zijn genomen en dat hem door verweerder woorden in de mond zijn gelegd. Klager is van mening dat verweerder een vooringenomen standpunt had, te weten dat de klachten van klager arbeidsgerelateerd waren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar het door hem gemaakte schriftelijke verslag van de geluidsopname van dit consult. Verweerder heeft tijdens het vooronderzoek en ter terechtzitting de inhoud van dit verslag erkend als een correcte weergave.

5.3 Het college stelt in zijn algemeenheid dat de beoordeling van de geschiktheid voor het eigen werk door een bedrijfsarts een ingewikkelde taak is waarbij in de diagnostiek rekening moet worden gehouden met enerzijds de medische beperkingen en anderzijds een eventueel arbeidsconflict. Dit vereist een zorgvuldige beoordeling door de bedrijfsarts, waarbij hij zijn onafhankelijkheid ten opzichte van beide partijen dient te bewaken. Bij het vermoeden van een arbeidsconflict dient de bedrijfsarts het principe van wederhoor toe te passen en contact op te nemen met de werkgever van zijn cliënt. Het college is van oordeel dat verweerder tijdens het consult op 24 maart 2014 en in zijn daarop volgende advies aan de werkgever van 28 maart 2014 de benodigde zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Uit het door klager gemaakte, en door verweerder niet weersproken, verslag van meergenoemd consult maakt het college op dat verweerder niet of nauwelijks luisterde naar klager, klachten niet heeft uitgevraagd, niet heeft gevraagd naar medicijngebruik en geen enkel medisch onderzoek heeft gedaan. Er is geen contact met de werkgever geweest om het vermoeden van een arbeidsconflict te verifiëren. Verweerder ging uit van zijn hypothese dat de klachten van klager (opnieuw) arbeidsgerelateerd waren. Deze vooringenomenheid heeft verweerder tijdens het consult niet gecorrigeerd, zelfs niet nadat klager had aangegeven dat er geen problemen meer waren en er geen “zeer” meer zat. Vervolgens heeft verweerder op basis van dit gebrekkige consult een niet onderbouwd advies aan de werkgever afgegeven. Deze onzorgvuldige handelwijze van verweerder is hem tuchtrechtelijk te verwijten, zodat de klacht in zoverre gegrond is.

5.4 Ten aanzien van het klachtonderdeel dat verweerder zonder toestemming contact heeft opgenomen met de huisarts overweegt het college als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel toestemming had om contact met de huisarts op te nemen. Hij gebruikte daarvoor een eerdere machtiging van klager van ongeveer

8 maanden geleden. Hij accepteert een machtigingstermijn van 6 maanden, maar ging daar in dit geval overheen, omdat het ernaar uitzag dat dezelfde verzuimreden vigeerde, aldus verweerder.

5.5 Naar het oordeel van het college is dit standpunt onjuist. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door gebruik te maken van de oude machtiging. Niet in geschil is dat klager in juli 2013 – na het arbeidsconflict in 2013 – zijn werk heeft hervat en tot februari 2014 onafgebroken heeft gewerkt. Verweerder had bij de ziekmelding in februari 2014, zonder klager te zien of te spreken, geen gebruik mogen maken van de oude machtiging om contact op te nemen met de huisarts. Uit deze handelwijze van verweerder blijkt eveneens dat verweerder vooringenomen was met betrekking tot de klachten van klager. Zonder klager te hebben gezien of gesproken nam hij aan dat klager om dezelfde reden verzuimde als een jaar geleden. Ook dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.6 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.

5.7 Ten aanzien van de op te leggen maatregel.

Het college is van oordeel dat verweerder ernstig is tekortgeschoten. Verweerder bleef zonder nader onderzoek volharden in zijn aanname dat de klachten van klager arbeidsgerelateerd waren en ontwikkelde een onvoldoende gefundeerde en niet objectieve visie, die hij zonder adequaat onderzoek en zonder nadere motivering aan klagers werkgever heeft overgebracht. Verweerder heeft hierdoor zijn taak als bedrijfsarts niet naar behoren vervuld. Tevens heeft verweerder tijdens de behandeling van de klacht ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij “het zo weer zou doen”, waaruit het college concludeert dat verweerder geen inzicht heeft in het foutieve van zijn handelen, hetgeen het college zorgen baart. Daarom acht het college een berisping op zijn plaats.

5.8 Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 Met zijn beroep beoogt de bedrijfsarts de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege over de klacht die klager heeft ingediend in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. De bedrijfsarts concludeert impliciet tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot afwijzing van de klacht.

4.2 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Gebruik oude machtiging

4.3 Ten aanzien van het klachtonderdeel inhoudende dat de bedrijfsarts voorafgaande aan het spreekuurcontact met klager op 24 maart 2014 zonder toestemming van klager contact heeft opgenomen met de huisarts van klager, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft de bedrijfsarts verklaard dat klager voorafgaand aan het spreekuurcontact op 24 maart 2014 tweemaal een afspraak had afgezegd, te weten op 24 februari 2014 en op 3 maart 2014. Volgens de bedrijfsarts vroeg de werkgever van klager zich af of er medische redenen waren voor het afzeggen van deze twee afspraken en heeft de bedrijfsarts telefonisch contact opgenomen met de huisarts van klager om dat te verifiëren. De bedrijfsarts stelt zich op het standpunt dat hij daarvoor geen toestemming van klager nodig had omdat hij op basis van de machtiging die klager in 2013 verstrekt had gerechtigd was telefonisch contact op te nemen met zijn huisarts. Volgens de bedrijfsarts diende het ziekteverzuim in februari en maart 2014 gerelateerd te worden aan het eerdere ziekteverzuim in 2013.

4.4 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege had de bedrijfsarts voorafgaande aan het spreekuurcontact op 24 maart 2014 niet zonder toestemming van klager telefonisch contact op mogen nemen met de huisarts van klager. De door de bedrijfsarts gegeven reden voor dat telefonisch contact met de huisarts, te weten ter verificatie van medische redenen voor het afzeggen van de twee afspraken door klager, valt niet onder de reikwijdte van de machtiging uit 2013, die overigens in te algemene bewoordingen gesteld is. Het beroep van de bedrijfsarts faalt in zoverre.

Onvolledige en onduidelijke rapportage naar aanleiding van het consult op 24 maart 2014

4.5 Ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft de bedrijfsarts erkend dat het gespreksverslag dat klager heeft gemaakt van het consult op 24 maart 2014 volledig is en op juiste wijze het gesprek weergeeft. Van dat verslag zal bij de beoordeling van dit beroep worden uitgegaan.

4.6 Uit het verslag blijkt dat klager meerdere oorzaken aanvoert voor zijn ziekteverzuim vanaf 18 februari 2014 en voor het afzeggen van twee afspraken met de bedrijfsarts. Zo voert klager aan dat hij zich op 18 februari 2014 bij zijn werkgever heeft ziek gemeld vanwege een buikvirus, dat hij kort daarop meerdere laserbehandelingen aan zijn ogen heeft ondergaan, dat hij op 3 maart 2014 rugklachten heeft gekregen, die verergerd zijn na een fietstest bij de cardioloog op

7 maart 2014, bij wie hij was vanwege hartklachten. Ook voert klager aan dat hij voor zijn rugklachten viermaal daags Tramadol gebruikt en dat hij met het oog op zijn rug dagelijks de oefeningen doet die de fysiotherapeut hem heeft opgegeven.

4.7 Vast staat dat de bedrijfsarts op 24 maart 2014 geen lichamelijk onderzoek bij klager heeft verricht. Het uitblijven van dat onderzoek kan op zichzelf verdedigbaar zijn, mits er blijk van wordt gegeven dat er voldoende geïnformeerd is naar de aard en de ernst van de klachten en de ondervonden beperkingen om zodoende een gewogen oordeel over die klachten te kunnen geven. Daarvan is evenwel geen sprake geweest. Uit het gesprekverslag kan niet worden opgemaakt dat de bedrijfsarts heeft doorgevraagd naar de aard en de ernst van de rugklachten en de beperkingen die klager daardoor ondervond, ondanks dat daartoe alle reden was nu klager had meegedeeld dat hij reeds een aantal weken rugklachten had en daarvoor viermaal daags Tramadol gebruikte. Bij gebreke aan essentiële informatie over de rugklachten die de bedrijfsarts had behoren te vergaren, kon hij geen gewogen oordeel geven over de door klager ondervonden rugklachten. Uit het gespreksverslag blijkt dat de bedrijfsarts als werkhypothese hanteerde dat de klachten van klager (weer) arbeids-gerelateerd waren. De bedrijfsarts heeft aan deze werkhypothese vastgehouden, hoewel klager uitdrukkelijk aangaf dat het arbeidsconflict dat in 2013 speelde was opgelost en zonder dat de bedrijfsarts er blijk van heeft gegeven de rugklachten van klager op bovengenoemde wijze te hebben beoordeeld en aan zijn werkhypothese te hebben getoetst. De bedrijfsarts heeft aldus nagelaten inzichtelijk te maken hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Derhalve kan niet geoordeeld worden dat de bedrijfsarts in redelijkheid tot zijn conclusie ‘ziekte verklaart van meet af aan (dus vanaf eerste verzuimdag), continu, zijn verzuim niet’ heeft kunnen komen. Daarvoor dient hem een tuchtrechtelijk verwijt te worden gemaakt. Het beroep van de bedrijfsarts treft ook in zoverre geen doel.

Conclusie

4.8 De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep van de bedrijfsarts geen doel treft. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van berisping dient te worden gehandhaafd. Voor dit oordeel zijn aard en ernst is van de verweten gedragingen redengevend, waarbij het Centraal Tuchtcollege ten nadele van de bedrijfsarts heeft betrokken dat hij ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen en de gevolgen daarvan voor klager, welke tekortkoming in het licht van een eerder (in 2008) aan hem opgelegde tuchtrechtelijke maatregel (waarschuwing) zorg baart.

4.9 Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal op de voet van artikel 71 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en op na te melden wijze publicatie worden gelast van deze beslissing.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep onder verbetering van gronden;

handhaaft de maatregel van berisping;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, GAV-scoop, Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde en Expertise en Recht met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. J.P. Fokker en

mr. R. Veldhuisen, leden-juristen en mr. drs. J.A.W. Dekker en mr. drs. W.A. Faas, leden- beroepsgenoten en mr. drs. E.E. Rippen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2016.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.

Scheffer, J.H.

De zorgverlener mag niet meer werken in dit beroep: arts
De zorgverlener mag niet meer werken in dit beroep: psychotherapeut

Let op deze doorhaling betreft niet J. H. Scheffer BIG nr 99039547101, werkzaam als bedrijfsarts.

Naam
Scheffer, Jan Hendrik
Geslacht
Man
BIG-nummer
19023707101
Beroepsgroep
Artsen
BIG-nummer
79023707116
Plaats
Utrecht
Beroepsgroep
Psychotherapeuten
Beperking
De inschrijving in het register van artsen is per 24 november 2011 doorgehaald.
De zorgverlener mag niet meer werken in dit beroep.
Beperking
De inschrijving in het register van psychotherapeuten is per 24 november 2011 doorgehaald.
De zorgverlener mag niet meer werken in dit beroep.


Deze uitspraken betreffen Jan Hendrik Scheffer, voormalig arts en voormalig psychotherapeut.
Het BIG register vermeldt namelijk dat hij op 24 11 2011 is doorgehaald als arts en psychotherapeut.
Er was sprake van drie tuchtzaken allen in hoger beroep  behandeld door het Centraal Tuchtcollege.
Er waren 3 klagers  (zeer waarschijnlijk 2 vrouwen) en de Inspectie Gezondheidszorg.
——————————————————————————————

Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 28-11-2011 ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1542
Domein: Gezondheidszorg
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.161
Doorhaling psychiater
Een psychiater is een langdurige intensieve relatie aangegaan met een patiënte.
Hij heeft tijdens deze relatie de behandelrelatie laten voortbestaan.
Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering en schending van de geheimhouding.
Het RTG heeft een doorhaling uit het register bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG bekrachtigd, behoudens op het punt van de maatregel van doorhaling nu deze maatregel reeds in een zaak mede gebaseerd op hetzelfde feitencomplex is opgelegd aan aangeklaagde.

—————-
Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 28-11-2011 ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1543 Domein: Gezondheidszorg.
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.162
Doorhaling psychotherapeut bekrachtigd door CTG 
ivm intensieve relatie met patiente
gebrekkige dossiervoering en schending van geheimhouding.
Een psychotherapeut is een langdurige intensieve relatie aangegaan met een patiënte. Hij heeft tijdens deze relatie de behandelrelatie laten voortbestaan. Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering en schending van de geheimhouding. Het RTG heeft een doorhaling uit het register bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG bekrachtigd, behoudens op het punt van de maatregel van doorhaling nu deze maatregel reeds in een zaak mede gebaseerd op hetzelfde feitencomplex is opgelegd aan aangeklaagde
—————————-

Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 28-11-2011  ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1544 Domein: Gezondheidszorg
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.163
Klacht Inspectie Gezondheidszorg tegen psychiater
Doorhaling psychiater bekrachtigd door CTG 
ivm intensieve relatie met patiente
gebrekkige dossiervoering en schending van geheimhouding
Een psychiater is een langdurige intensieve vriendschapsrelatie aangegaan met één patiënte en een seksuele liefdesrelatie met een andere patiënte. Hij heeft tijdens deze relaties de behandelrelaties met beide patiënten laten voortbestaan. Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering en schending van de geheimhoudingsplicht. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft bij het RTG een klacht ingediend. Het RTG heeft een doorhaling in het register bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG verworpen.
——————

Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 28-11-2011 ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1545
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.164
Klacht Inspectie Gezondheidszorg tegen psychotherapeut
Doorhaling psychotherapeut
Een psychotherapeut is een langdurige intensieve vriendschapsrelatie aangegaan met één patiënte en een seksuele liefdesrelatie met een andere patiënte. Hij heeft tijdens deze relaties de behandelrelaties met beide patiënten laten voortbestaan. Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering en schending van de geheimhoudingsplicht. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft bij het RTG een klacht ingediend. Het RTG heeft een doorhaling in het register bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG verworpen.
————————

Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 25-11-2011 ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1540
Domein: Gezondheidszorg
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.159
psychiater
Een psychiater is een langdurige seksuele relatie aangegaan met een patiënte. Hij heeft tijdens deze relatie de behandelrelatie laten voortbestaan. Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering. Het RTG heeft een doorhaling van de inschrijving bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG bekrachtigd, behoudens op het punt van de maatregel van doorhaling nu deze maatregel reeds in een zaak mede gebaseerd op hetzelfde feitencomplex is opgelegd aan aangeklaagde.
———————-
Datum uitspraak: 24-11-2011 Datum publicatie: 25-11-2011 ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1541
Domein: Gezondheidszorg
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2011.160
psychotherapeut

Een psychotherapeut is een langdurige seksuele relatie aangegaan met een patiënte en een vriendschapsrelatie met een andere patiënte. Hij heeft tijdens deze relaties de behandelrelaties laten voortbestaan. Voorts was sprake van gebrekkige dossiervoering, Het RTG heeft een doorhaling uit het register bevolen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door het CTG bekrachtigd, behoudens op het punt van de maatregel van doorhaling nu deze maatregel reeds in een zaak mede gebaseerd op hetzelfde feitencomplex is opgelegd aan aangeklaagde.
zie www.tuchtrecht.overheid.nl

 

Cox, F.F.

Naam
F.F. Cox
Geslacht
Man
BIG-nummer
99020517201
Beroepsgroep
Artsen
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van artsen is per 15 mei 2014 voorwaardelijk geschorst voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 mei 2014 en loopt tot en met 14 mei 2016. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan het voeren van de titel “bedrijfsarts” dan wel aan het verrichten van de werkzaamheden van een bedrijfsarts zonder aantoonbare supervisie van een wel als bedrijfsarts geregistreerde arts dan wel aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag en onjuiste behandeling/verkeerde diagnose.
Begindatum proeftijd
15-05-2014
Einddatum proeftijd
14-05-2016