Informatie over falende artsen, tandartsen, verpleegkundigen, verloskundigen, psychologen, bestuurders, politici, juristen en rechters

CORONA-VIRUS
Blijf thuis, was uw handen, houd 1,5 meter afstand en houd vol.
SIN-NL wenst u gezondheid, kalmte en sterkte.

Op 25 september 2009, stond de rechtbank Groningen uitdrukkelijk online publicatie van de zwarte lijst toe ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ8795,  naar aanleiding van een verzoek van dr Kuks, neuroloog UMCG.
De rechter  gaf ook toestemming aan SIN-NL om neuroloog Kuks UMCG,  zonder tuchtrechtelijke veroordeling, op de zwarte lijst artsen te  handhaven.
Op 24 oktober 2018 bevestigde de rechter opnieuw de rechtmatigheid van www.zwartelijstartsen.nl.
SIN-NL mag E.F. Hillenaar, in 2010 twee keer doorgehaald in het BIG-register als GZ-psycholoog, handhaven op zwartelijstartsen.nl met feitelijke tekstuele toevoegingen.

De website  zwartelijstartsen.com is eigendom van de stichting SIN-NL. Vrijwel alle namen zijn afkomstig van het overzicht van het BIG-register van zorgverleners aan wie een maatregel is opgelegd door tuchtcolleges, het College van Medisch Toezicht , de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of buitenlandse instanties, , zie www.bigregister.nl. 
Contacteer info at sin-nl.org voor meest actuele situatie over falende zorgverleners oa ivm aangaan relaties met patienten, door tuchtcolleges aangeduid als grensoverschrijdend gedrag.

9 februari 2020: schijn van partijdigheid
Gerechtshof Arnhem verwijst stichting SIN-NL naar Gerechtshof Amsterdam wegens brief president Gerechtshof Arnhem aan Google.

28 augustus 2019:
Google  USA, Californië wraakt met succes rechter raadsheer  Gerechtshof Amsterdam mw mr A. M. A. Verscheure beroep op zwarte lijst rechters en zwarte lijst artsen:
weer juridische erkenning nb door Gerechtshof Den Haag, dus grote  overwinning voor stichting SIN-NL: Raadsheer op zwarte lijst, wraking toegewezen

18 januari 2019:
Partijdige rechter mw mr R.A. Dudok van Heel laat Google bestrafte arts verzwijgen

Advies: kijk ook op de officiële zwarte lijst rechters van de stichting SIN-NL

Op 25 september 2009, stond de rechtbank Groningen uitdrukkelijk online publicatie van de zwarte lijst toe ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ8795  naar aanleiding van een verzoek van dr Kuks, neuroloog UMCG.
De rechter  gaf ook toestemming aan SIN-NL om neuroloog Kuks UMCG,  zonder tuchtrechtelijke veroordeling, op de zwarte lijst artsen te  handhaven.
Op 24 oktober 2018 bevestigde de rechter opnieuw de rechtmatigheid van www.zwartelijstartsen.nl.
SIN-NL mag E.F. Hillenaar, in 2010 twee keer doorgehaald in het BIG-register als GZ-psycholoog, handhaven op zwartelijstartsen.nl met feitelijke tekstuele toevoegingen.

Lees kort interview met voorzitter stichting SIN-NL Mr Sophie Hankes
Lees reactie SIN-NL op kritiek op zwartelijstartsen.nl 18 okt 2018

Deze website dient om patiënten te informeren en te beschermen almede om falende zorgverleners alsmede anderen betrokken bij juridische oordeels- of beleidsvorming inzake gezondheidszorg ter verantwoording te roepen.
Deze website is niet bedoeld als leedtoevoeging of schandpaal.

Deze website wordt gepubliceerd in het kader van het algemeen belang, de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en is volledig gebaseerd op feiten en documenten.
SIN-NL houdt zich verre van lichtvaardige en ongefundeerde beschuldigingen.
De inhoud van deze website betreft witte boorden criminaliteit volgens de definitie van Edwin Sutherland.
Let op: tuchtcolleges leggen in minder dan 20 % een maatregel op aan falende zorgverleners en dan meestal een waarschuwing. De namen van falende zorgverleners aan wie een waarschuwing is opgelegd, worden niet gepubliceerd in het overzicht van het BIG-register.

Op 14 januari 2017 introduceerde SIN-NL het begrip sjoemelarts, met als voorbeeld neuroloog J.B.M.Kuks.

29 juni 2017: Minister Schippers besluit tot meer openbaarmakingen Inspectie Gezondheidszorg, in het kader van transparantie, het algemeen belang en het aanzetten tot verbeteren van kwaliteit van prestatie!

Artikel Mr Sophie Hankes, SIN-NL:
Openbaarmaking tuchtstraf maakt zorg beter.

Tuchtcollege 21 maart 2017:
waarschuwing aan P.M.S. Schröder, longarts Tergooiziekenhuis ivm overlijden van Rogier Mooij 21jr

Dr P. M. S. Schröder longarts is verantwoordelijk is voor de dood van Rogier Mooij en kreeg bovenstaande waarschuwing voor het onnodig overlijden van deze 21-jarige jongen….
De grote vraag is: waarom ging longarts Schröder om 17.00 uur naar huis, terwijl hij wist dat Rogier Mooij rond dat tijdstip per ambulance bij zijn ziekenhuis aankwam en  naar zijn afdeling werd gebracht.
Wat was er belangrijker?
Het leven van deze jongen en het leed dat de nabestaanden wordt aangedaan telt niet of nauwelijks….
De onderste steen moet boven.
Er moet helderheid komen over de onnodige dood van Rogier.
Wie waren betrokken, wie waren verantwoordelijk, wie waren nalatig.
Longarts Schröder  hoort zich in sowieso te zetten voor de verbetering van de kwaliteit van zorg en voor verbetering van de positie van slachtoffers van medische fouten en hun nabestaanden.

Deze rechters van het medisch tuchtcollege Amsterdam gaven hem slechts een waarschuwing:
mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,
drs. J.I. van der Spoel,
drs. J.J.C.M. Rooijmans – Rietjens
dr. J.P. van der Sluijs, leden – artsen beroepsgenoten,
mr. dr. A. Wilken, lid – jurist,
mr. S.S. van Gijn, secretaris

Let op onderstaande informatie is verstrekt door de BIG-Informatielijn Agentschap CIBG :
De Wet BIG maakt gebruik van de term ” doorhalen”:
-op verzoek van de ingeschrevene,
-op grond van een tucht- en/of strafrechtelijke maatregel of
-vanwege het verstrijken van de uiterste herregistratiedatum.
Wanneer er sprake is van een beroepsverbod, opgelegd door een Nederlandse of buitenlandse rechter, dan is de doorhaling als zodanig terug te vinden  in het overzicht van zorgverleners aan wie een maatregel of bevel is opgelegd, zie www.bigregister.nl.
Doorhaling in het BIG-register betekent dat de zorgverlener in Nederland niet mag werken in zijn beroep. Dit houdt niet in dat hij het beroep niet mag uitvoeren in het buitenland.

T:  BIG-informatielijn 0900-8998225  vanuit het buitenland, ook vanuit Nederland 0031 (0)70-3406600
F:  0031 (0) 70-3405966 E:  info@bigregister.nl W: http://www.bigregister.nl

Internationale Zwarte Lijsten

    • sst.dk, zorgverleners Denemarken
    • sak.no, zorgverleners Noorwegen
    • baddoctordatabase.tumblr.com artsen in USA
  • badhospitaldatabase.tumblr.com ziekenhuizen in USA

Bistervels, J.H.G.M.

Naam
J.H.G.M. Bistervels
Geslacht
Man
BIG-nummer
19019996501
Beroepsgroep
Artsen
Beperking BIG-register
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 8 januari 2014 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening.
Datum maatregel
08-01-2014

Blijham, G.

Arts,van 1999 tot 1-1-2009 voorzitter raad van bestuur UMC Utrecht.
Per 1-12-2009 lid Raad van Toezicht Academisch Ziekenhuis Maastricht.
Ook voorzitter Raad van Toezicht ziekenhuis Groene Hart, Gouda.
Weigert de positie van slachtoffers van medische fouten concreet te verbeteren en continueert dagelijkse mishandeling van de slachtoffers/nabestaanden.
Update 13 december 2018
Geert Blijham (1946) is voorzitter raad van toezicht van het Maastricht UMC. Daarnaast is lid raad van toezicht NKI-AvL en lid raad van toezicht Stichting St. Annadal.

Blijham is tevens president commissaris bij Julius Clinical BV in Zeist, voorzitter Advisory Board Strategic Area Health TU Eindhoven, voorzitter raad van toezicht Stichting Huisartspraktijk de Essenkamp en voorzitter raad van toezicht Academisch Hospice Demeter.

Verder is Blijham lid Advisory Board Oxford Centre for Personalized Medicine en Chaiman Board of Trustees Ndlovu Care Group Groblersdal Zuid Afrika.

Voorheen was hij ook lid van de Gezondheidsraad. Blijham was van 1999 tot 2009 voorzitter van de raad van bestuur van het UMC Utrecht.

Blikman, Derk

Achternaam
Blikman, J. D. Derk
Geslacht
Man
BIG-nummer
29048027501
Beroep
Arts
Specialisme
Arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde
Maatregel
Berisping 4 november 2019
De termijn om hoger beroep in te stellen bedraagt 6 weken.


Arts vervalste medisch dossier van klokkenluider Vliegbasis Eindhoven
bron: 4 november 2019 www.ad.nl

EINDHOVEN – Een arts van Vliegbasis Eindhoven is door het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg berispt, omdat hij het medisch dossier van oud-piloot en klokkenluider Victor van Wulfen had vervalst.

Van Wulfen trok acht jaar geleden aan de bel over diverse veiligheidsincidenten op de Eindhovense luchtmachtbasis. Hij was destijds piloot op een Hercules transportvliegtuig. Van Wulfen werd in 2015 in het gelijk gesteld, maar kreeg begin 2017 een vliegverbod opgelegd, waarna hij ontslag nam. Nog altijd voert de inwoner van Heeswijk-Dinther strijd tegen zijn voormalig werkgever en diverse oud-collega’s.

Onder anderen daagde Van Wulfen dit jaar voormalig onderdeelsarts Derk Blikman van de vliegbasis voor het tuchtcollege. Deze zou in 2009 het patiëntendossier van Van Wulfen hebben vervalst door daarin de diagnose op te nemen dat de piloot aan psychische stoornissen leed. Het tuchtcollege geeft Van Wulfen in zijn klacht gelijk en geeft de arts een officiële berisping hiervoor.  

Geen consult

De diagnose was in 2009 in het medisch dossier opgenomen, zonder dat er een consult tussen de klager en de arts had plaatsgevonden, constateert het tuchtcollege. De toevoeging van de voor een piloot van Defensie zwaar beladen diagnose was door de arts in het dossier opgenomen, puur op basis van uitlatingen van de toenmalige commandant van squadron 336.

Deze had vervolgens aan het personeel van de vliegbasis medegedeeld dat Van Wulfen -zonder dat hij er zelf bij aanwezig was- vrijwillig zou deelnemen aan een psychologisch of psychiatrisch traject, omdat hij ‘in een schijnwereld leefde’. Van dit alles was geen sprake, blijkt uit de uitspraak in de zaak van Van Wulfen versus Blikman.

Het tuchtcollege gaat niet mee in de klacht van de klokkenluider dat de arts zijn beroepsgeheim heeft geschonden, door het dossier te delen met de commandant. Volgens het college is dat niet bewezen.  Wel valt de arts aan te wrijven dat hij Van Wulfen in de kou heeft laten staan, door al zijn mails over de gang van zaken niet te beantwoorden. ‘Klager had recht op informatie’, stelt het tuchtcollege.

‘Hand boven het hoofd’

De voormalig luchtmachtpiloot reageert ‘opgelucht en tevreden’ op de uitspraak, maar gaat stug verder met zijn strijd. Volgens hem is hij nog altijd niet volledig gerehabiliteerd en wordt bovendien de veroorzakers van de door hem aangekaarte misstanden bij de luchtmacht door de militaire top ‘de hand boven het hoofd gehouden’.
——–

www.tuchtrecht.overheid.nl

ECLI:NL:TGZREIN:2019:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 18129 Bedrijfsarts, werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis, wordt verweten dat hij ten onrechte een consult onder de ziektecode “Overige psychische stoornissen, Andere psychische stoornissen” aan klagers medisch dossier heeft toegevoegd, zijn beroepsgeheim heeft geschonden en zich nimmer voor zijn doen en laten heeft verantwoord. Het college oordeelt dat de arts ten onrechte een diagnose heeft toegevoegd aan klagers medisch dossier. Er had geen consult tussen klager en de onderdeelsarts plaatsgevonden. De arts had de aantekening in het medisch dossier zo moeten formuleren dat het voor opvolgende zorgverleners duidelijk was dat de informatie niet afkomstig was van klager maar van de commandant. Dat de onderdeelsarts juist had gekozen voor deze ziektecode is bovendien verwijtbaar en heeft grote gevolgen gehad voor klager. Schending beroepsgeheim is niet komen vast te staan. De onderdeelsarts heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar e-mails van klager over zijn medisch dossier onbeantwoord gelaten. Klager had recht op informatie. Gedeeltelijk gegrond. Berisping. Datum uitspraak: 04-11-2019 Datum publicatie: 04-11-2019 ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2019:55


Uitspraak: 4 november 2019

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 7 augustus 2018 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti te Amsterdam

 

tegen:

 

[C]

bedrijfsarts

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

–         het klaagschrift;

–         de brieven van 16 en 22 augustus 2018 van de secretaris aan klager;

–         de brief van 23 augustus 2018 van klager aan de secretaris;

–         het verweerschrift;

–         de brieven van 5, 11 en 12 maart 2019 van klager aan de secretaris;

–         de pleitnota van klager, voorgedragen ter zitting van 25 maart 2019;

–         de pleitnota van de gemachtigde van verweerder, voorgedragen ter zitting van 25 maart 2019;

–         slotwoord van klager, voorgedragen ter zitting van 2 oktober 2019;

–         slotwoord van verweerder, voorgedragen ter zitting van 2 oktober 2019.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is op de openbare zittingen van 25 maart en 2 oktober 2019 behandeld. Ter zitting zijn op verzoek van klager de heer [E] en de heer [F] als getuigen gehoord. Partijen waren steeds aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is op 6 november 1997 in dienst getreden bij de [G] waar hij van 2000 tot medio 2006 werkzaam is geweest als F-16 piloot. In juli 2006 heeft klager de overstap gemaakt naar het onderdeel luchttransport op de vliegbasis. Klager is aangesteld als kapitein-vlieger op de C-130 Hercules, waarna hij de opleiding tot C-130 vlieger heeft gevolgd. Bij de oprichting van het squadron is klager overgegaan naar dit nieuw opgerichte squadron. Klager is vanaf zijn indiensttreding bij dit squadron tot december 2010 ingezet op de C-130 vluchten.

Verweerder was in 2009 werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis.

Op 16 november 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden in het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT). De commandant van het squadron (hierna: de commandant) heeft hierin aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde. Aansluitend aan het SMT heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen de commandant en verweerder. Verweerder heeft naar aanleiding van dit gesprek op 16 november 2009 in het Subjectief/Objectief/Evaluatie/Plan (SOEP) deel van het patiëntendossier van klager genoteerd (alle hiernavolgende citaten overgenomen inclusief taal- en spelfouten):

“/S: gesprek met c336 en in SMT, mag nu niet vliegen van C. leeft mogelijk in een aparte wereld wel incidenten geweest, gaat niet op uitzending, c heeft contact met [naam vliegerpsycholoog]”.

In het systeem is vervolgens door verweerder op 16 november 2009 de volgende diagnose ingevoerd:

“Cas P69 – ICPC P99 Diagnose(s) Overige psychische stoornissen. Andere psychische stoornissen.”

Op 16 november 2009 was klager in het buitenland.

Op 2 december 2009 heeft de commandant aan het personeel van het 336 squadron meegedeeld dat klager in overleg met verweerder vrijwillig deel zou nemen aan een psychologisch dan wel psychiatrisch traject omdat klager in een schijnwereld zou leven. Klager is hier later door collega’s telefonisch van op de hoogte gesteld.

Op 3 december 2009 vond een gesprek plaats tussen verweerder en klager. Verweerder was de mening toegedaan dat klager compos mentis (bij zijn verstand of bij volle bewustzijn, toevoeging college) leek waarna verweerder het volgende heeft genoteerd in klagers patiëntendossier:

“/S: dd 031209 uitgebreid gesproken, lijkt compos mentis, goed georiënteerd in trias, is door C336 aan de grond gezet, groot werkconflict, is daar zeer ontstemd over, voelt zich genaaid, is nu ballsitic aan het gaan met aangifte Kmar, advocaat, bond, enz, betrokkene geeft aan dat een enkele collega hem juist wel steunen, heeft ook regelmatig contact met [naam vliegerpsycholoog]

/O:

/E: wat is er voorgevallen, wordt patiënt wel door collega’s gesteund zoals patiënt beweerd?, overleg gehad met [naam] of patiënt compos mentis is,

/P: dnif(= duty not included flying, toevoeging college), retour SU 101209

Op 10 december 2009 noteerde verweerder in klagers patiëntendossier:

S/ 101209 weer gesproken met betrokken heeft vrijdag gesprek met CVB, is boos, zeer ontevreden

P/ DNIF as maandag evaluatie”

Verweerder is kort daarop vertrokken bij de vliegbasis.

Op 5 januari 2010 noteerde een andere onderdeelsarts in klagers patiëntendossier:

“/S: uitgebreid gesproken, buiten uitingen nav recente gebeurtenissen, geen aanw. voor psychische decompensatie of

/O:

/E:

/P: geen medisch argumenten voor VV(vliegverbod, toevoeging college), B: OVV (beëindigen van het vliegverbod, toevoeging college)

Klager heeft verweerder op 8 september 2010 een e-mail gestuurd waarin hij onder meer schreef:

“(…) Graag hoor ik van u welke van [H]. [naam commandant] beweringen u van de noodzaak tot het starten van een psychiatrisch traject hebben overgehaald, zodat ik ook thuis kan uitleggen wat het is geweest waardoor ik enige tijd als vermeend “psychiatrisch patiënt’ door het leven ben gegaan.

Ik kijk uit naar uw reactie op dit e-mailadres.

Bij voorbaat hartelijk dank,

Hoogachtend,

KAP [naam klager]” 

Op 26 juli 2011 heeft klager verweerder opnieuw een e-mail gestuurd:

“(…) Ruim tien maanden geleden schreef ik u onderstaande e-mail. Helaas heb ik geen antwoord mogen ontvangen. Gelet op in gang gezette trajecten bij IGK en COID, en in samenspraak met mijn vakbond een hierop aansluitend traject verzoek ik u opnieuw, vriendelijk doch dringend om mijn e-mail naar eer en geweten te beantwoorden.

Ik vertrouw op uw bereidheid om te reageren  en ik kijk uit naar uw antwoord.

Hoogachtend,

KAP [naam klager]”

De Inspectie Militaire Gezondheidszorg heeft op 22 maart 2012 een onderzoek gerapporteerd naar aanleiding van een melding van klager. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft op verzoek van de secretaris-generaal van Defensie, naar aanleiding van een melding van klager, een onderzoek ingesteld en op 5 februari 2015 een advies uitgebracht. Bij brief van 29 april 2015 schreef de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie aan de voorzitter van voornoemde Onderzoeksraad onder meer:

“(…) Uw onderzoek geeft mij een goed beeld van de gemelde misstanden en de wijze waarop met de melder is omgegaan door de organisatie en de impact die dit heeft gehad op het leven van kapitein [naam klager]. Van dit advies moet, en wil, Defensie leren. (…)”.

 

3. Het standpunt van klager en de klacht

Verweerder wordt verweten dat hij:

1.     het medisch dossier van klager heeft vervalst door het ten onrechte toevoegen van een consult op 16 november 2009 onder de ziektecode “Overige psychische stoornissen, Andere psychische stoornissen”;

2.     de inhoud van het onder 1. genoemde de consult heeft gedeeld met de toenmalig squadroncommandant waarmee valse informatie is verspreid en hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden;

3.     zich nimmer voor zijn doen en laten heeft verantwoord.

 

4. Het standpunt van verweerder

Ad 1. Verweerder stelt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen.

Op 16 november 2009 heeft de toenmalig commandant van klager in een overleg binnen het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT) aan verweerder aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde en hij naar zijn mening professionele hulp nodig had. Van dat gesprek heeft verweerder die dag een aantekening gemaakt in het medisch dossier van klager. Verweerder heeft dat middels de op dat moment gangbare wijze gedaan. Een handeling van verweerder in dat kader diende nu eenmaal onder een werkcode te worden weggeschreven en het was gebruikelijk om dat onder de benaming “consult” te doen, ook al had er geen (lijfelijk) consult plaatsgevonden. Er is geen (voorlopige) diagnose gesteld van overige psychische stoornissen, andere psychische stoornissen. Het gaat om een gebruikte werkcode en verweerder is bij die keuze afgegaan op hetgeen de commandant hem in het SMT heeft gemeld, waarbij verweerder van mening is dat de commandant hem woorden in de mond heeft gelegd en verweerder daarom voor die betreffende specificatie heeft gekozen.

Ad 2. Verweerder neemt geen verantwoordelijkheid voor wat betreft de publiekelijke uitlatingen van de commandant over klager. Verweerder ontkent en betwist dat hij enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld.

Ad 3. Verweerder is kort na de hele kwestie met klager vertrokken bij de vliegbasis en gestart met een voltijds management opleiding die veel tijd en energie kostte. Om die reden en omdat hij niet meer de dienstdoende arts was en geen toegang meer had tot klagers patiëntendossier heeft verweerder niet geantwoord op die e-mails. Verweerder ziet in dat hij fatsoenshalve beter wel had kunnen reageren op de e-mails van klager. Verweerder geeft aan dat dit een leermoment voor hem is geweest, hetgeen hij ter harte neemt.

 

5. De overwegingen van het college

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.

Klachtonderdeel 1

Artsen hebben de wettelijke plicht om een medisch dossier bij te houden met betrekking tot de behandeling of begeleiding van een patiënt. Een zorgvuldig bijgehouden medisch dossier is van belang voor de kwaliteit en de continuïteit van de zorg aan de patiënt. Het doel van het medisch dossier is het leveren van een goede hulpverlening aan de patiënt. De arts en andere (opvolgende) zorgverleners die bij de behandeling betrokken zijn of raken, moeten uit het medisch dossier kunnen begrijpen wat de medische situatie van de patiënt is (geweest). In het medisch dossier worden gegevens opgenomen omtrent de gezondheid van de patiënt en de verrichtingen die bij de patiënt zijn uitgevoerd.

Het college is van oordeel dat de wijze waarop verweerder op 16 november 2009 verslag heeft gedaan in het medisch dossier van klager van hetgeen hem ter ore is gekomen dan wel wat tussen verweerder en de commandant over klager is besproken, de toets der kritiek niet kan doorstaan. Het verweer treft geen doel. Wat een arts noteert in het dossier moet feitelijk juist en helder zijn en niet voor meerdere interpretaties vatbaar. Nu er op 16 november 2009 geen consult had plaatsgevonden met klager, had verweerder dit niet mogen opschrijven op de wijze zoals hierboven onder de feiten is weergegeven. Verweerder had de aantekening zo moeten formuleren dat het voor opvolgende zorgverleners duidelijk was dat de informatie niet afkomstig was van klager maar dat de informatie aan verweerder was toevertrouwd door de commandant.

Nu verweerder klager zelf niet heeft gezien en daarom ook geen diagnose heeft gesteld, is het  onbegrijpelijk dat verweerder juist deze diagnosecode in het medisch dossier heeft genoteerd. Dat verweerder kennelijk een diagnosecode diende in te vullen, omdat het anders niet mogelijk was het programma af te sluiten, doet er niet aan af dat verweerder had kunnen – en naar het oordeel van het college ook had moeten – kiezen voor een andere diagnosecode. Wat er ook zij van software achter een elektronisch patiëntendossier en/of een gangbare werkwijze bij de geneeskundige dienst, het had op de weg van verweerder gelegen om te kiezen voor een andere, meer duidelijke wijze van verslaglegging.

Het valt verweerder te verwijten dat hij van alle te selecteren codes nu juist heeft gekozen  voor de diagnose code voor psychische stoornissen. Dit heeft grote gevolgen gehad voor klager, hetgeen ook voor verweerder voorzienbaar was. Verweerder is immers als onderdeelsarts op een vliegbasis op de hoogte, althans dat zou hij moeten zijn, welke consequenties de diagnose “psychische aandoening” voor een vlieger bij het ministerie van Defensie kan hebben.

De conclusie is dat dan ook dat deze wijze van verslaglegging voor andere (opvolgende) zorgverleners verschillend te interpreteren is, bij voorbeeld als ware klager gediagnosticeerd met (een) psychische stoornis(sen).

Dit klachtonderdeel is gegrond.

Het college merkt daarbij echter op dat niet gebleken is van vervalsing in de zin van kwaadwillendheid of opzet aan de zijde van verweerder, zoals klager stelt.

 

 

Klachtonderdeel 2

Naar het oordeel van het college is niet komen vast te staan dat verweerder enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld. Evenmin is komen vast te staan dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Wat er ook zij van de uitlatingen van de commandant over klager, dit kan niet aan verweerder worden toegerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Het college leest en begrijpt het derde klachtonderdeel zo dat dit met name ziet op het door verweerder onbeantwoord laten van de e-mails van klager. Klager is als patiënt van verweerder onder meer geconfronteerd met een ten onrechte in zijn medische dossier opgenomen diagnose met voor klager – als vlieger bij Defensie – zeer vergaande gevolgen. Deze informatie is door verweerder, zijn (voormalig) onderdeelsarts op de vliegbasis, aan zijn medisch dossier toegevoegd. Verweerder heeft klager hier niet over geïnformeerd nadat klager was teruggekomen van zijn verblijf in het buitenland, tijdens welk verblijf de diagnose in het medisch dossier is beland. Klager heeft hierover herhaaldelijk per e-mail contact met verweerder gezocht, die simpelweg niets van zich heeft laten horen. Naar het oordeel van het college heeft een patiënt recht op informatie van zijn arts als er iets niet goed is gegaan. Open en goede communicatie met een patiënt naar aanleiding van een incident is essentieel voor het wederzijds vertrouwen en het vertrouwen in de gezondheidszorg. Verweerder heeft door klager te negeren zijn patiënt, in wiens medisch dossier vanaf 16 november 2009 tot maart 2015 onterecht een onjuiste diagnose heeft gestaan, in de kou laten staan. De stellingname dat verweerder (later) niet meer beschikte over klagers dossier doet hieraan niet af. Immers dan had het op verweerders weg gelegen om in ieder geval dat aan klager mee te delen en moeite te doen – met behulp van klagers toestemming – het dossier bij zijn opvolger op te vragen zodat hij klagers vragen alsnog kon beantwoorden. Dit klachtonderdeel is gegrond.

 

De maatregel

De klachtonderdelen 1 en 3 zijn gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van het college ten onrechte een diagnose toegevoegd aan het medisch dossier van klager. Bij het opleggen van de maatregel acht het college van gewicht dat uit de dossiervoering niet duidelijk en met zekerheid kan worden opgemaakt op basis van welke informatie en welke (eigen) onderzoeksbevindingen verweerder tot welke overwegingen en conclusies is gekomen. Het college neemt daarbij ook mee dat een arts, na een fout of een (communicatie)probleem, zijn patiënt niet mag negeren als hij om toelichting vraagt. Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het college dat aan verweerder de maatregel van berisping wordt opgelegd.

 

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing op grond van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

 

6. De beslissing

Het college:

–         verklaart de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond, zoals in de rechtsoverwegingen omschreven;

–         legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

–         verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

–         bepaalt dat deze beslissing, nadat zij onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

 

Aldus beslist door J. Iding als voorzitter, H.A.W. Vermeulen als lid-jurist, P.E. Rodenburg, R.P.J. Ansem en C.M.F. van Roessel als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaaruitgesproken door C.D.M. Lamers op

4 november 2019 in aanwezigheid van de secretaris.

 

Blom, D. P.

Achternaam
Blom, Deborah Patricia
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
69920654830
Beroep
Verpleegkundige
Plaats

Soesterberg
Maatregel
Bij de inschrijving in het register van verpleegkundigen is per 4 juli 2018 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.

Blom, J.W.

Achternaam
Blom, Johannes Wilhelmus
Geslacht
Man
BIG-nummer
9020029901
Beroep
Arts
Specialisme
Arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde
Plaats

Aalsmeer
Maatregel
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 7 februari 2019 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.

Blom, J.W.

Achternaam
Blom, Joost Willem
Geslacht
Man
BIG-nummer
49909589004
Beroep
Fysiotherapeut
Plaats

Bemmel
Maatregel
De inschrijving in het register van fysiotherapeuten is per 25 september 2019 geschorst voor de duur van 12 maanden tot en met 24 september 2020.
De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Uitspraak tuchtrecht.overheid.nl Regionaal tuchtcollege Zwolle

Beslissing d.d. 13 augustus 2019 naar aanleiding van de op 4 maart 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A,wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C, fysiotherapeut, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. D. van Alst, advocaat te Nijmegen,

v e r w e e r d e r

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

– het klaagschrift met bijlagen;

– het verweerschrift met bijlagen;

– de repliek;

– de dupliek met bijlage;

– de brief van klaagster ingekomen op 24 mei 2019 met bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 14 juni 2019 alwaar zijn verschenen klaagster en verweerder, de laatste bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.   DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster is in de periode 2016-2018 verschillende keren bij verweerder in behandeling geweest vanwege rugklachten. Partijen zijn het erover eens dat op 4 oktober 2017 tijdens een behandeling sprake is geweest van lichamelijk contact, waarbij verweerder aangeeft dat dit niet verder is gegaan dan kort zoenen en klaagster stelt dat er sprake is geweest van verdergaand seksueel contact. De behandeling is hierna beëindigd maar is begin januari 2018 weer voortgezet. Ook is er seksueel getint WhatsApp-contact geweest tussen klaagster en verweerder. Op 19 oktober 2018 zijn klaagster en verweerder samen naar het casino geweest. Klaagster wilde daarna niet verder zo doorgaan en wilde alles aan haar man opbiechten. Verweerder heeft geprobeerd haar hiervan te weerhouden. Verweerder heeft klaagster in 2019 nog eenmaal behandeld. Klaagster heeft vervolgens deze tuchtklacht ingediend.

3.   HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- het volgende.

1)  Verweerder heeft niet professioneel gehandeld en geen passende afstand bewaard.

2)  Verweerder heeft misbruik gemaakt van klaagster op een moment dat zij erg kwetsbaar was.

3)  Verweerder heeft seksuele toespelingen gedaan om klaagster tot seks aan te zetten.

4)  Verweerder heeft het vertrouwen van klaagster beschadigd door haar zwart te maken en leugens over haar te verspreiden.

5)  Verweerder heeft zijn beroepsgeheim geschonden.

6)  Verweerder heeft klaagster in de vernieling willen helpen door haar cocaïne aan te bieden.

Klaagster voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. Klaagster voelde zich in de loop van de behandelingen bij verweerder steeds meer op haar gemak en heeft in vertrouwen haar emotionele problemen met hem gedeeld. Zo kwam hij te weten wat een wrak zij was nadat haar echtgenoothad geprobeerd zelfmoord te plegen voor de ogen van haar en hun dochter. Verweerder bood niet alleen een luisterend oor bij de behandelingen, maar stuurde haar steeds vaker WhatsApp berichten. Uiteindelijk kwam de aap uit de mouw, toen klaagster verweerder appte voor een afspraak en hij haar de keuze gaf of zij een afspraak wilde voor een gewone massage of een erotische massage. De behan­deling begon met een gewone massage, maar verweerder wreef telkens “per ongeluk” langs haar borst. Uiteindelijk kwam klaagster omhoog van de tafel, waarna zij voor het eerst seks met elkaar hadden. Bij latere behandelingen kwam het “per ongeluk” aaien over haar borsten en tussen haar billen terug. Klaagster en verweerder konden elkaar niet weerstaan en hadden weer seks. De band werd steeds hechter en klaagster wilde niet alleen meer langskomen in de praktijk. Zij wilde dat verweerder liet zien dat hij haar graag zag en dat hij uit zijn veilige haven kwam. In eerste instantie wilde hij hier niets van weten, omdat hij niet met haar in het openbaar kon worden gezien. Klaagster heeft het contact vervolgens verbroken omdat zij zich niet door hem wilde laten gebruiken. Op een vrijdagavond kreeg zij een sms van hem. Toen zij vertelde waar zij was, wilde hij haar ophalen en meenemen naar Holland Casino. Voor haar betekende dit dat hij het contact opzocht en uit zijn veilige haven kwam. Na deze avond werd hun contact steeds heftiger. In de tussentijds bleef verweerder haar ook gewoon behandelen. De laatste maanden was het zo erg dat hij haar appte op zijn werk dat hij haar wilde. Dan vroeg hij letterlijk of zij wilde komen ‘neuken’ als hij uitval had. Hij heeft haar zelfs een keer gevraagd of zij langs wilde komen als hij voor haar een patiënt zou afzeggen. Klaagster was blij met iedere minuut dat zij hem kon zien en nam daar genoegen mee.

Uiteindelijk ging klaagster zichzelf haten omdat zij nog steeds samen was met E en zij hem bedroog. Toen zij verweerder vertelde dat zij hiermee niet meer kon leven en haar fout zou opbiechten, sloeg verweerder om. Hij verweet haar zijn leven en de praktijk kapot te maken en banen van collega’s op het spel te zetten. Hij gaf haar te kennen dat, als zij met haar man zou praten en dit aan het licht zou komen, hij ook met haar man zou gaan praten en dan weleens zou zien hoe haar scheiding zou verlopen. Nadat klaagster haar man de waarheid had verteld, heeft haar man verweerder gebeld om verhaal te halen. Verweerder heeft toen gezegd dat alles haar schuld was, dat zij ineens naakt voor hem had gestaan en dat zij hem onder druk had gezet. Ook wierp hij hem het onderwerp voor de voeten waarover zij en haar man altijd zwegen, de zelfmoordpoging, iets wat zij verweerder had toevertrouwd. Verder beschuldigde hij haar ervan met nog veel meer mannen het bed te hebben gedeeld.

Over het aanbieden van drugs vermeldt klaagster ten slotte het volgende. Verweerder vertelde klaagster dat hij altijd poppers gebruikte. Op een middag dat zij in de praktijk was, haalde hij een zakje met een paar klontjes/brokjes uit zijn broekzak, cocaïne naar zijn zeggen. Op 25 januari 2019 heeft zij met hem een avond doorgebracht in het casino. Toen zij bij hem in de auto stapte, haalde hij hetzelfde zakje uit zijn broekzak, nu met wit poeder, volgens hem pure cocaïne. Hij snoof er wat van en gaf aan dat zij ook kon krijgen, waarvoor zij bedankte. Daarna heeft hij nog meermalen geprobeerd het haar te geven, maar daar is zij niet op ingegaan.

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan de dat de eerste klacht terecht is, maar niet op grond van de onderbouwing van klaagster. Klaagster heeft op 4 oktober 2017 het initiatief genomen om lichamelijk contact te zoeken met verweerder en hij is daar kort in meege­gaan. Ook had hij na die tijd de behandeling moeten staken, hervatting in 2018 was dus fout. Ook was fout dat hij zich na oktober 2018 heeft laten meeslepen. Dat heeft voor beide partijen een vervelende situatie opgeleverd en dat had nooit mogen gebeuren.  Voor het overige zijn de klachten ongegrond. Verweerder stelt dat een groot deel van de stellingen van klaagster in strijd met de waarheid is en dat klaagster er alleen op uit lijkt om hem te schaden. Er is op 4 oktober 2017 sprake geweest van kortstondig zoenen. Zowel klaagster als hij schrokken daarvan en daar is het bij gebleven. In 2018 hebben verschillende behandelingen plaatsgevonden, waarbij sprake was van een reguliere behandelrelatie. Van “bijzondere” behandelingen was geenszins sprake. Verweerder heeft daarbij normale gesprekjes met klaagster gehad over wat hen bezighield, niets meer dan dat. Het is juist dat partijen op 19 oktober 2018 met elkaar naar het casino zijn gegaan, maar dat was niet op initiatief van verweerder. De dag erna, 20 oktober 2018, vormde een keerpunt. Klaagster liet volledig onverwacht aan verweerder weten dat zij gevoelens voor hem had. Daarover is een app-conversatie op gang gekomen. Verweerder heeft te kennen gegeven dat de gevoelens niet wederzijds waren. Klaagster nam daar geen genoegen mee, werd boos en begon te dreigen met openbaarmaking van wat er op 4 oktober 2017 was gebeurd; aanvankelijk door te zeggen dat zij de vriendin van verweerder in kennis zou stellen, later ook door te dreigen met een tuchtzaak. Verweerder kon haar tot bedaren brengen, maar het sloeg ook net zo gemakkelijk weer om in boosheid en dreigementen. Verweerder heeft uit angst voor de aangekondigde openbaarmaking en de consequenties daarvan geprobeerd klaagster tevreden te houden door haar aandacht te geven in de zin dat ze zich gewild zou voelen. De prikkelende app-berichten zijn daarvan de resultante geweest. Overigens betrof dit uitsluitend spielerei. Verweerder weet dat hij niet goed heeft gehandeld, maar hij stelt dat – hoewel de app-berichten anders doen lijken – er geen fysiek contact is geweest.

Verweerder erkent dat hij met de echtgenoot van klaagster heeft gesproken, maar betwist dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van informatie waarmee hij uitsluitend via klaagster bekend was geworden; het hele dorp wist wat er bij hen was gebeurd.

Verweerder betwist ook dat hij klaagster cocaïne zou hebben aangeboden. In het app-bericht waarin hij spreekt over een “snuif” verwijst hij naar poppers, een drug die veelal tijdens seks wordt gebruikt en die wordt gesnoven, waarover klaagster hem had verteld met de suggestie dat hij dat maar eens moest proberen.

Verweerder voert ten slotte aan dat hij zich realiseert dat hij fouten heeft gemaakt en ervoor moet zorgen dat die in de toekomst worden voorkomen. Om die reden heeft hij een coach ingeschakeld, met wie hij intussen (ten tijde van de zitting) een intake en een vervolggesprek heeft gehad. Verweerder benadrukt verder dat hij al ongeveer twaalf jaar zijn beroep als fysiotherapeut uitoefent en dat hij nooit eerder met een klacht is geconfronteerd en dat hem dus ook nimmer een tuchtmaatregel is opgelegd.

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college ziet aanleiding de eerste drie klachtonderdelen en klachtonderdeel zes gezamenlijk te behandelen onder de noemer (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.

Hiervan is naar het oordeel van het college onmiskenbaar sprake geweest. De overgelegde reeks WhatsApp-berichten, die verweerder niet bestrijdt, zijn al voldoende voor het oordeel dat er sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

In zoverre zijn deze klachtonderdelen al gegrond.  

5.3

Verweerder heeft ter zitting erkend dat deze contacten fout zijn geweest maar stelt tegelijkertijd dat dit slechts seksuele fantasieën betroffen die niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en waaraan hij slechts heeft meegedaan om klaagster tevreden te houden. Het college kan verweerder hier niet in volgen. Hierbij acht het college van belang dat klaagster uitvoerig en consistent heeft verklaard dat er seksueel contact tussen hen is geweest, wat zij onderbouwt met diverse WhatsApp-berichten die daarmee geheel in lijn zijn. De WhatsApp-berichten houden niet alleen uitdagende, seksueel getinte opmerkingen in, maar bevatten ook diverse uitlatingen van klaagster en verweerder die in onderling verband en samenhang bezien moeilijk anders kunnen worden begrepen dan dat er ook daadwerkelijk, en meer dan eens, seksueel contact is geweest. Het college doelt daarbij onder meer op de WhatsApp-berichten van 19 oktober 2018 waaruit is af leiden dat er seksueel contact is geweest tussen hen en waaraan beiden refereren en expliciet aangeven hoe dit voor hen is geweest. Voorts is uit de WhatsApp-berichten van 5 en 12 november 2018 en 4 tot en met 6 februari 2019 af te leiden dat klaagster en verweerder al weer doende zijn afspraken te maken voor nieuwe seksdates. De intimiteit tussen beiden volgend uit deze app-conversaties is dermate vergaand dat dit niet te rijmen is met de door verweerder geschetste wensfantasieën van hem en klaagster. Uit de reacties valt ook af te leiden dat de ontmoetingen waarover zij schreven er daadwerkelijk zijn geweest. Het college kan niet anders concluderen dat er gedurende deze periode een daadwerkelijke seksuele relatie tussen hen heeft bestaan.
5.4

Verweerder heeft het college daarbij niet kunnen overtuigen van het tegendeel. Zijn stelling dat hij de berichten stuurde om klaagster te sussen en haar ervan te weerhouden om de zaak aan het licht te brengen, verdraagt zich niet met de inhoud van de berichten. Daarbij zijn de verklaringen van verweerder onderling ook moeilijk met elkaar te rijmen. Zo houdt hij enerzijds vol dat er op 4 oktober 2017 nauwelijks iets is gebeurd, waarbij het dan ook nog vrijwel alleen klaagster is geweest die iets heeft gedaan, terwijl hij anderzijds de angst voor openbaarmaking van deze gebeurtenis noemt als verklaring voor zijn vergaande uitlatingen in het WhatsApp-verkeer na 20 oktober 2018. Daar komt nog bij dat hij 20 oktober 2018 het omslagpunt noemt – daarna zouden de dreigementen van klaagster zijn begonnen die verweerder met aandacht in de vorm van prikkelende WhatsApp-berichten probeerde tegen te gaan -, terwijl verweerder zich in de berichten van 19 oktober 2018 al op dezelfde wijze uitliet. Ook is verweerder tegenstrijdig in zijn verklaringen. Zo heeft hij in eerste instantie verklaard dat er na 4 oktober 2017 geen enkel fysiek contact is geweest (buiten het normale contact tijdens behandelingen), terwijl hij later verklaarde dat hij klaagster een keer heeft opgewacht in de auto en dat zij daar hebben geknuffeld. Al met al acht het college zijn verklaringen hierover dan ook onvoldoende geloofwaardig. Het college acht dan ook aannemelijk dat er, naast de WhatsApp-berichten, sprake is geweest van feitelijke gedragingen die eveneens grensoverschrijdend zijn in de relatie tussen een fysiotherapeut en een patiënt.

5.5

Het college kan, gelet op de tegengestelde verklaringen van klaagster en verweerder en bij gebrek aan verder bewijs, niet vaststellen dat verweerder cocaïne heeft aangeboden aan klaagster. Wel staat vast dat verweerder in WhatsApp-contacten (op 30 januari 2019) spreekt over “snuiven”. Klaagster zegt in die contacten dat hij de rest maar voor de volgende keer moet bewaren, waarop verweerder haar vraagt of zij dan ook wil. De verklaring van verweerder dat het hierbij niet om cocaïne, maar om poppers ging, is mogelijk. Het verwijt wordt er in de kern echter niet anders van: als fysiotherapeut dient hij verre te blijven van het aanbieden van drugs aan een patiënt, ook al gebeurt dat in zijn vrije tijd. Ook dit levert dus hoe dan ook grensoverschrijdend gedrag op.

5.6

Gelet op het voorgaande zijn de klachtonderdelen een tot en met drie en zes gegrond.

5.7

Het vierde en vijfde klachtonderdeel zien op schending van de vertrouwelijke relatie met klaagster en op schending van het beroepsgeheim door verweerder. Deze klachten zullen hier gezamenlijk worden besproken. Verweerder heeft ter zitting toegegeven dat hij tijdens een telefoongesprek met de partner van klaagster heeft gesproken over wat er tijdens de behandeling zou zijn voorgevallen. Ook heeft hij daarbij de zelfmoordpoging ter sprake gebracht. Het ging bij dit laatste om informatie die klaagster in vertrouwen met verweerder had gedeeld. De stelling van verweerder dat hij feitelijk niets nieuws vertelde omdat het verhaal in het dorp bekend was, doet niet af aan het feit dat hij informatie die hem vertrouwelijk door klaagster was meegedeeld aan een derde heeft meegedeeld. Verweerder had het vertrouwelijke karakter hiervan ook moeten begrijpen. Dat hij door het gebeurde ook in een conflict kwam met de partner van klaagster (die zelf overigens ook patiënt bij hem was), gaf hem geen vrijbrief om aan deze te vertellen wat er volgens hem tijdens de behandeling van klaagster was voorgevallen. Verweerder heeft ook hierbij de grenzen uit het oog verloren die hij als beroepsbeoefenaar in acht moest nemen en zijn beroepsgeheim geschonden.

Ook deze klachtonderdelen zijn gegrond.

5.8

Verweerder heeft zich aldus (seksueel) grensoverschrijdend gedragen en in de nasleep aan schending van zijn beroepsgeheim schuldig gemaakt. Hij heeft hiermee gehandeld in  strijd met de beroepsethiek en gedragsregels die binnen zijn beroepsgroep gelden en heeft hierdoor gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid, aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg had horen te betrachten. Het college verwijst hierbij nog naar de uitgave ‘Beroepsethiek en gedragsregels voor de fysiotherapeut’ van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, met name hetgeen daarin over de relatie fysiotherapeut – patiënt ten aanzien van intimiteit en vertrouwen, als ook ten aanzien van informatie en wetgeving is vermeld. Ook voor een fysiotherapeut geldt dat hij zich dient te onthouden van contacten van seksuele aard binnen de hulpverlening en dat verbale of lijfelijke intimiteiten niet zijn   toegestaan. Verder heeft hij de plicht te zwijgen over alles wat hem bekend wordt in het kader van de behandeling.

5.9

Het voorgaande betekent dat een maatregel moet worden opgelegd. Bij de keuze van de maatregel moet in dit verband de preventieve werking het uitgangspunt zijn. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege zijn gedragingen zoals die aan verweerder worden verweten zodanig in strijd met hetgeen van een integere en betrouwbare zorgverlener verwacht mag worden dat ten minste een (voorwaardelijke) schorsing van de inschrijving in het BIG-register passend en geboden is. Het college is van oordeel dat in deze casus de zwaarste schorsing, te weten een schorsing van een jaar, op zijn plaats is. Hierbij weegt het college mee dat het grensoverschrijdend gedrag van kwaad tot erger ging en langere tijd heeft geduurd. Hoewel er meerdere momenten waren waarop verweerder het gedrag had kunnen stoppen, heeft hij dit niet gedaan. Sterker nog, hij heeft klaagster tot twee keer toe opnieuw in behandeling genomen.
Toen klaagster de zaak wilde opbiechten, heeft hij op ongepaste wijze geprobeerd haar daarvan te weerhouden, in plaats van zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de ontstane situatie en mee te werken aan een oplossing. Hoewel hij wist dat het niet goed was wat hij deed, heeft hij dit verder voor iedereen verzwegen en geen hulp gezocht. Hij heeft het niet met collega’s of bijvoorbeeld in intervisie besproken. Pas nadat de klacht was ingediend, heeft hij zijn collega’s geïnformeerd en heeft hij een coach benaderd. Concrete informatie over de inhoud van het coaching traject is niet overgelegd en heeft verweerder, ter zitting daarnaar gevraagd, ook niet kunnen geven.
Ter zitting is bij het college verder de indruk ontstaan dat de algehele beroepshouding van verweerder te wensen overlaat. Zo verklaarde hij dat het lang geleden is dat hij is afgestudeerd en dat hij zich niet kan herinneren dat er tijdens de opleiding aandacht is geweest voor beroepsethiek. Met de inhoud van de beroepscode bleek hij niet of nauwelijks bekend.
Illustratief is de verklaring van verweerder dat het hem niet verbaasde dat klaagster voor een behandeling haar broek uit deed en in haar ondergoed voor hem stond, terwijl dat voor de behandeling niet nodig was; volgens verweerder gebeurt dat wel vaker en is het niet nodig er iets van te zeggen, omdat hij ‘in control’ is. Dit terwijl de norm is dat duidelijke instructies over ontkleden worden gegeven en gehandhaafd, juist om onduidelijke en ongewenste situaties te voorkomen. De wijze waarop verweerder via WhatsApp met patiënten communiceert, geeft tot slot ook reden tot zorg: verweerder heeft toegelicht dat op deze manier afspraken worden gepland, maar – zoals deze zaak aantoont – kan dit gemakkelijk leiden tot een vorm van contact waarin de grenzen van een professionele verhouding vervagen of zelfs geheel verdwijnen.

Het college gaat ervan uit dat verweerder het jaar schorsing dat zal volgen zal gebruiken om aan zichzelf te werken, om zijn kennis over gedragsregels en ethiek op peil te brengen en om de communicatiemethode binnen zijn praktijk te professionaliseren.

6.   DE BESLISSING

Het college:

– verklaart de klacht gegrond;

– legt op de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van 12 maanden.

Aldus gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, F. van der Maden, lid-jurist, S.E. Dekker, G. van der Sluis en H. Uijen leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van K.M. Dijkman secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2019 door J. Recourt, plv-voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

Blonk, M.

Volgens artikel in de Volkskrant,9 februari 2013 pleegde interniste Marion Blonk in het Catharinaziekenhuis Eindhoven fraude voor tenminste 100.000 euro. Ook hield ze spookspreekuren en knoeide met diagnoses, zie doofpotdossier interniste Blonk.

Bockel, J.H. van (Hajo)

Bockel van op zwarte lijst

Voormalig vaatchirurg LUMC. Lid Medisch Tuchtcollege Den Haag: gaf de drie ernstig falende cardiologen Baldew, van Beek en Salomonsz van het voormalig Ruwaard van Putten ziekenhuis slechts berisping op 28 okt 2014. Let wel deze cardiologen zijn verantwoordelijk voor de onnodige dood van tientallen patiënten en het faillissement van het Ruwaard van Puttenziekenhuis.
De Inspectie Gezondheidszorg stelt hoger beroep in bij het Centraal Tuchtcollege.

Lees: doofpotdossier misstanden cardiologie Ruwaard van Putten ziekenhuis

Lees de uitspraken tegen de cardiologen

  1. Beslissing RTG Den Haag inzake de klacht van de IGZ tegen cardioloog A uit het voormalig Ruwaard van Putten Ziekenhuis, uitgesproken op 28 oktober 2014 (2013-308a)
  2.  Beslissing RTG Den Haag inzake de klacht van de IGZ tegen cardioloog B uit het voormalig Ruwaard van Putten Ziekenhuis, uitgesproken op 28 oktober 2014 (2013-308b)
  3.  Beslissing RTG Den Haag inzake de klacht van de IGZ tegen cardioloog C uit het voormalig Ruwaard van Putten Ziekenhuis, uitgesproken op 28 oktober 2014 (2013-308c)

Boef, D.J.

Naam
Boef Dirk Jan
Geslacht
Man
BIG-nummer
19031447302
Beroepsgroep
Tandartsen
Plaats

Oostwold
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van tandartsen is per 24 december 2015 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening en onjuiste bejegening.

Boekhorst Carillo, M. H. M.

M.H.M. Boekhorst Carillo, rechter- raadsheer Gerechtshof Leeuwarden.  Sprak falende maagchirurg Reijnen vrij ondanks opzettelijke weigering van Reijnen om adequaat onderzoek te doen bij patiënte via röntgenonderzoek naar het verdwenen wondgaasje. Patiënte leed onnodig 3 maanden ernstig pijn. Zij werd ten slotte adequaat gediagnosticeerd en geheropereerd door een chirurg in een ander ziekenhuis. Zie verder: www.sin-nl.org